TOTUS TUUS, MARIA!

HET LEVEN VOORBIJ DE AVONDZON

Onderrichting vanwege de Meesteres van alle zielen
over het levensoordeel en het leven erna

Myriam van Nazareth

Eind september 2019 sprak de Meesteres van alle zielen de volgende woorden, die in Haar opdracht worden opgenomen als inleiding op deze onderrichting:

"Voor de Troon van de Goddelijke Rechter worden zeer veel tranen gestort.

Onder de zielen die de Ware Liefde in hoge mate hebben beleefd, stromen vele tranen van diepe aandoening en vervoering over de ervaring van de onvoorstelbare Liefde die hen vanuit het Goddelijk Hart omhult. Hun tranen zijn het begin van de Eeuwige Verrukking van Gods onbelemmerd voelbare Tegenwoordigheid, een ervaring van Geluk dat alle vreugde in de wereld oneindig ver overstijgt.

Onder de zielen die de Ware Liefde slechts zelden of niet hebben beleefd, stromen vele tranen wegens de verscheurende pijnen die zij ervaren bij het zien van de volle Waarheid over de Smart die zij God en hun medeschepselen tijdens hun leven hebben aangedaan. Hun tranen zijn het begin van immense kwellingen van berouw die hetzij tijdelijk hetzij eeuwigdurend zullen zijn.

De onvoorstelbare diepte van de ervaringen van de ziel tijdens haar levensoordeel voor het Aanschijn van haar Schepper en haar God heeft een dubbele oorzaak: Ten eerste het feit dat haar in dat uur de volle Waarheid wordt vergund over de wijze waarop God Zelf in Zijn absoluut volmaakt overzicht en doorzicht elk ogenblik vanaf haar geboorte tot haar dood haar leven en de vruchtbaarheid – of het gebrek aan vruchtbaarheid – ervan voor de verwezenlijking van Zijn Werken en Plannen heeft ervaren, en ten tweede het feit dat zij in dat uur alles ziet en voelt zonder de geringste belemmering, daar zij dan niet meer ziet en voelt vanuit menselijke ogen en een menselijk hart, doch vanuit Gods ogen en Gods Hart".

(Aldus de Heilige Maagd Maria, aan Wie wij onuitspekelijke dank verschuldigd zijn voor de openbaringen die Zij zo genadig aan de zielen verleent over feiten met betrekking tot onderwerpen die totnogtoe grotendeels zijn verborgen achter een sluier van mysterie, want deze openbaringen bieden de gelegenheid alsook de motivatie om U veel beter en veel bewuster voor te bereiden op het ogenblik van Uw laatste overgang en de zijnstoestand erna. Deze zijnstoestand moet worden voorbereid gedurende de jaren, dagen en uren gedurende dewelke U nog het leven in een stoffelijk lichaam beleeft. Het oordeel is onomkeerbaar zodra God in Zijn onfeilbare Wijsheid Uw naam zal roepen voor de grote ontmoeting bij Zijn troon).

Inhoud

1. Over de 'waarde' van het leven
2. Het levensoordeel
3. Het vagevuur
4. De Hemel
5. De hel
6. Slotbeschouwing – bewustmaking van de zielen


1. Over de 'waarde' van het leven

De Meesteres van alle zielen onderrichtte reeds bij herhaling dat de mensenziel slechts op aarde is om een leven te leiden in dienst van Gods Werken, dus als werktuig via hetwelk God Zijn Werken wil voltooien. Gods Werken en Plannen zijn verwezenlijkingen van Liefde, bedoeld om Zijn Schepping het aanschijn terug te geven, dat zij had vóór de eerste mensenzielen de erfzonde bedreven en daardoor voor het eerst de Wet van de Ware Liefde overtraden en de volmaakte heiligheid van de Schepping schonden. Hierdoor werd voor de eerste maal het volmaakte evenwicht binnen de Schepping verstoord. De Schepping, zoals deze uit Gods hand kwam, was volmaakt heilig omdat zij volkomen volgens Gods Wet van de Ware Liefde was georganiseerd. De erfzonde, de eerste zonde van ongehoorzaamheid jegens een gebod van God, bracht de eerste effecten van duisternis in de Schepping. De kern van de levensopdracht van elke mensenziel ligt hierin, dat zij is geroepen tot een leven in dienst van het herstel van dit geschonden evenwicht. Dit kan uitsluitend gebeuren via een consequente en vlekkeloze beleving van de Ware Liefde, dit wil zeggen van de Liefde die volkomen het eigen zelf verloochent en volkomen is gericht op een maximale bevrediging van het welzijn van alle medeschepselen en een maximale bevrediging van Gods verwachtingen, die totaal zijn gericht op de wedergeboorte van Zijn Rijk op aarde.

Elk mensenleven is in wezen een gebeuren dat is samengesteld uit ononderbroken reeksen van elementen, waarbij tezelfdertijd als het ware een positieve en een negatieve rekening loopt: De mens doet, denkt, zegt, schrijft, voelt, wil of bestreeft dingen die zijn heiliging en de verwezenlijking van Gods Werken en Plannen positief beïnvloeden, en doet, denkt, zegt, schrijft, voelt, wil of bestreeft dingen die zijn heiliging en de verwezenlijking van Gods Werken en Plannen negatief beïnvloeden. Hij laat ook dingen achterwege die hij beter wél zou doen. Zo tekent zich in een mensenleven een lopende balans van goed en kwaad af. De mens kan kwaad bedrijven, maar kan hierbij ook worden beïnvloed door mensen naar wie hij om één of andere reden opkijkt. Ook de samenleving als geheel kan morele verantwoordelijkheid dragen: In de samenleving, zowel in het groot alsook lokaal – van plaats tot plaats verschillend – leven een algemene atmosfeer en gesteldheden ten aanzien van alle mogelijke situaties, gebeurtenissen, gedragingen, enzovoort. Dit alles stuurt een mens in bepaalde richtingen en draagt bij tot de vorming van zijn persoonlijkheid en zijn zielsgesteldheid.

Bij dit alles komt de eigen beslissing, het gebruik van de eigen vrije wil: De mens ziet, hoort en leert allerlei dingen, maar hoe gaat hij daarmee om? Begaat hij zonden omdat dit hem als 'gebruikelijk gedrag' wordt voorgeleefd, of doet hij het omdat hij uit zichzelf dit gedrag goed of passend vindt? Bovendien geldt voor God de mate waarin de mens al dan niet heeft geleerd wat God verlangt, en de mate waarin hij de Liefde aanvoelt en haar in zich wil inbouwen.

Elke mensenziel wordt geschapen met een vrije wil, die onschendbaar is. Dit betekent dat God niet ingrijpt op de vrije wil van een ziel: Zij moet volkomen vrij kunnen beslissen hoe zij zal omgaan met elk detail dat op haar levensweg komt. God heeft dit zo voorzien omdat Hij de ziel moet kunnen beoordelen volgens de mate waarin zij spontaan de bereidheid toont om volkomen in harmonie met Zijn Wet van de Ware Liefde te leven. Wegens de vrijwillige schending van de Goddelijke Wet van de Ware Liefde was de Eeuwige Gelukzaligheid in de Hemel, die God bij de schepping van de eerste mensenzielen voor alle zielen in het vooruitzicht had gesteld, opgeheven: De mensenziel had voortaan geen toegang meer tot de Hemel.

Dit was het logisch gevolg van het feit dat de zijnstoestand van de Hemel een toestand is die wordt gekenmerkt door een absoluut volmaakte Liefde. Deze volmaaktheid was in de eerste mensenzielen vanaf de erfzonde niet meer aanwezig. God ontwierp daarom Zijn Verlossingsmysterie, dat voorzag dat Zijn Zoon Jezus Christus in de wereld zou komen als God-Mens, om in een menselijk lichaam een absoluut volmaakt Lijden te doorstaan, dat de effecten van de erfzonde (het feit dat de Hemel voor de mensenzielen gesloten was) zou compenseren. Gods voorwaarde opdat een ziel de vruchten van het Verlossingsmysterie zou kunnen plukken, was deze, dat de ziel een leven zou leiden in zo volkomen mogelijke navolging van Christus, dit wil zeggen: met volkomen beleving van de Ware Liefde in alle doen en laten en in alle innerlijke gesteldheden, en met liefdevolle aanvaarding van alle beproevingen van het leven in het bewust verlangen dat deze bruikbaar mogen worden als grondstoffen voor de bereiding van genaden in de strijd tegen de effecten der duisternis in de Schepping.

De Eeuwige Gelukzaligheid van de Hemel is een toestand in dewelke de ziel na haar leven op aarde pas kan overgaan zodra zij zich in elk opzicht in een gesteldheid bevindt die volkomen in harmonie is met de Wet van de Ware Liefde. De Meesteres van alle zielen zei vroeger reeds dat de Eeuwige Gelukzaligheid in de Hemel kan worden vergeleken met een Vuur van absoluut volmaakte, brandende Liefde, en dat de mensenziel dit Vuur niet aankan zolang zij niet zelf een Vuur van brandende Liefde is geworden. De ziel ontwikkelt het Vuur van de brandende Liefde in zichzelf zodra zij alle sporen van duisternis – uit alle wereldse beïnvloeding jegens haar gesteldheden – uit zich heeft weggezuiverd en zij zich spontaan, onvoorwaardelijk, ononderbroken en in volkomen zelfverloochening in haar hele gesteldheid oriënteert op het Hart van God, in de oprechte betrachting en het alles beheersend verlangen om God en Zijn Werken en Plannen te dienen, met inbegrip van volkomen dienst aan alle medeschepselen, die immers eveneens Bouwwerken van God zijn. Dit betekent meteen dat de ziel zich volkomen en onvoorwaardelijk moet losmaken van alle zelfzucht, van elke betrokkenheid op zichzelf, van alle egocentrisme, van alle 'bezig zijn met eigen belangen'.

Deze gesteldheid is wat wordt verstaan onder 'heiligheid'. Heiligheid is de gesteldheid van de ziel in dewelke deze in al haar doen en laten en al haar innerlijke gesteldheden in staat is om Heil over de Schepping te helpen brengen. Dit wil zeggen dat de ziel in staat van heiligheid in alles voldoet aan de verwachtingen die God jegens haar stelt, zodat zij de van haar verwachte bijdrage levert tot de verwezenlijking van Gods Heilsplan voor de Schepping, en aldus haar ware levensroeping, datgene waarvoor zij haar leven van God heeft gekregen, waarlijk vervult. Dit doet de ziel doordat zij met haar gaven, talenten en eigenschappen zodanig omgaat dat zij deze helemaal inzet voor de bevordering van de doorstroming van de Ware Liefde doorheen de Schepping, én doordat zij met haar zwakheden zodanig omgaat dat ook deze worden benut voor haar persoonlijke vervolmaking in de Ware Liefde.

God laat in de ziel zwakheden toe opdat zij deze zou gebruiken als constante bronnen van motivatie tot de vervolmaking van haar innerlijke gesteldheden naar het beeld en gelijkenis van haar Schepper en van de Christus, via een proces dat 'groei van de ziel' wordt genoemd. De groei van de ziel is een proces waardoor de ziel ononderbroken in zichzelf duisternis vervangt door Licht, doordat zij spontaan, onvoorwaardelijk en ononderbroken elk detail van haar leven, van haar doen en laten en van haar innerlijke gesteldheden in volkomen harmonie tracht te brengen met Gods Wet van de Ware Liefde. Daarom is de groei van de ziel in wezen het proces van haar heiliging.

Naarmate de ziel haar groei, haar heiligingsproces, weet te voltooien, benadert zij de gesteldheden van het Hart van God Zelf, dit alles in de mate waarin dit voor de geschapen ziel mogelijk is. God oordeelt de ziel niet volgens zichtbare resultaten doch volgens haar oprechte gedrevenheid om Zijn Wet van de Ware Liefde zo volkomen mogelijk toe te passen in elk detail van haar leven, en deze Wet in al haar innerlijke gesteldheden spontaan, vrijwillig en van harte te beleven. De heiligheid van de ziel is daarom niet een toestand die door mensenogen kan worden beoordeeld, doch een gesteldheid die slechts God kan oordelen op grond van datgene wat Hij in de kern van het hart ziet en voelt, want in de kern van het hart, en daarom in het verborgene, wordt de mate bepaald waarin de ziel zich al dan niet één maakt met de vereisten van Gods Wet van de Ware Liefde.

God oordeelt de 'waarde' van een ziel voor Zijn Heilsplan niet volgens de resultaten die zij bij haar medezielen lijkt te boeken, daar deze resultaten in hoge mate afhankelijk zijn van de ontvankelijkheid van deze medezielen voor het goede, alsook van de mate waarin deze medezielen zelf oprecht verlangen om het goede te doen, te denken en te voelen. God beoordeelt daarom de waarde van elke ziel volgens haar eigen inzet en inspanningen om Liefde te beleven en te verspreiden, en zelfs indien zij er niet lijkt in te slagen om haar Liefde bij haar medemensen vruchtbaar te maken, zal God haar waarde voor Zijn Heilsplan zeer hoog inschatten wanneer Hij in haar een grote oprechte, zelfverloochenende Liefde aantreft. Op gelijkaardige wijze veroordeelt God een ziel die zwaar zondigt, niet méér of minder naargelang Hij dezelfde zware zonden bij veel of bij weinig andere zielen aantreft: Elke ziel wordt strikt individueel geoordeeld, en het oordeel zal even zwaar zijn wanneer haar zonden ook door miljoenen andere zielen zijn bedreven, dan wanneer zij de enige op de hele wereld zou zijn die zo zwaar zondigt. God vergelijkt geen zielen onder elkaar, Hij beschouwt en oordeelt elke ziel strikt individueel, alsof zij helemaal alleen op de wereld zou zijn. Voor God is het dus niet van tel of een ziel méér Licht of méér duisternis verspreidt dan miljoenen anderen, Hij ziet eenvoudig welk waardecijfer elke ziel op zichzelf verdient.

Om het eenvoudig uit te drukken: Indien God honderd zielen oordeelt, het hoogst mogelijke cijfer 100 is en het laagst mogelijke 0, en elk van deze zielen heeft zoveel duisternis verspreid dat de 'beste' van hen nog geen beter 'rapportcijfer' verdient dan 10 op 100, zal God deze 'beste' niet als 'heilig' beschouwen omdat zij nu eenmaal de 'beste' van de honderd blijkt te zijn: Voor Hem is ook deze 'beste' van de honderd zwaar tekort geschoten in haar levensopdracht in dienst van Gods Werken. Om deze reden beklemtoont de Meesteres van alle zielen de noodzaak dat elke ziel haar aardse leven strikt zou leiden met het oog op de mate waarin zij zelf de Ware Liefde beleeft en verspreidt, en daardoor Gods Werken doet of niet, en dat zij zich niet zou laten verleiden tot vergelijking van zichzelf met haar medemensen: Ten eerste kan geen enkel mens zichzelf volledig zien en doorgronden zoals God dit doet, ten tweede kent geen mens de diepten van het zielsleven van zijn medemensen, en ten derde staat elke ziel bij het levensoordeel strikt individueel voor God en worden haar zonden, fouten en tekortkomingen in geen enkel geval gerechtvaardigd door het feit dat nog anderen dezelfde zonden, fouten en tekortkomingen hebben begaan.

2. Het levensoordeel

De noden van Zijn Heilsplan op elk specifiek ogenblik, en diverse factoren die in Gods Wijsheid besloten liggen, bepalen het ogenblik waarop God, de Heer van alle Leven, het aardse leven van een mensenziel beëindigt. God leidt het natuurlijk overlijden van een mens in door de levensstromen geleidelijk van het fysieke lichaam los te maken, zodat deze zich in de ziel samentrekken. Wanneer deze levensstromen beneden een bepaalde drempel zinken, verliest het lichaam zijn levenskracht, en het lichaam van de mens sterft. Onmiddellijk daarop wordt de ziel voor Gods Troon gebracht, waar haar als het ware in een film in weinige ogenblikken tijds haar hele leven op aarde wordt getoond, waarbij aan deze ziel de genade wordt geschonken, haar eigen leven tot in de allerkleinste details te bekijken door Gods ogen. Dit betekent dat de ziel zichzelf, al haar handelingen, woorden, gedachten, gevoelens en verlangens van haar hele leven ziet, hoort en doorschouwt vanuit de volheid van Gods Waarheid. Van elk van haar handelingen, van elk van haar woorden, van elke gedachte, gevoel en verlangen van haar voorbije leven wordt haar in een flits de positieve of negatieve waarde in Gods ogen getoond. De ziel voelt dus zelf in enkele ogenblikken welke waarde haar leven op aarde werkelijk heeft gehad. Dit betekent: Zij verneemt in alle details wat zij op aarde voor God (voor de verwezenlijking van Zijn Werken) heeft betekend, waardoor, hoe vaak, in hoeverre enz., zij God heeft beledigd, gekwetst, Hem vreugde heeft bereid, Hem in verrukking heeft gebracht, Zijn Plannen en Werken heeft bevorderd, of deze juist heeft tegengewerkt.

Dit alles, de vaak vele miljoenen elementen van een mensenleven, wordt de ziel in weinige ogenblikken op onfeilbare wijze, volledig en volmaakt getoond. Intussen onderricht God aan de ziel de volledige Wet van Zijn Gerechtigheid en de volheid van de Waarheid, in zoverre deze kennis noodzakelijk is voor de volledige en foutloze beoordeling van haar voorbije leven. Omdat de ziel zichzelf in die weinige ogenblikken door Gods ogen heeft mogen zien, weet zij heel precies hoe het met haar is gesteld. De Allerheiligste Maagd Maria bekleedt bepaalde fouten met Haar oneindige Liefde en gebruikt Haar macht in Voorspraak, voor zover de Wet van Gods Gerechtigheid dit rechtvaardigt. Dit betekent, bijvoorbeeld: Maria kan een ziel niet bevrijden van de straf op grond van een begane doch nooit gebiechte moord, indien deze ziel geen berouw toont. Werpt deze ziel zich in de ogenblikken van het Goddelijk Oordeel echter aan Maria’s voeten neer, en smeekt zij Haar om Haar Voorspraak in een gesteldheid van oprecht berouw (dit betekent: berouw dat niet berust op de loutere hoop op vrijspraak van schuld, doch op waar besef dat men God en Zijn Werken heeft geschaad), dan kan Maria deze ziel op grond daarvan een strafvermindering bekomen omdat deze ziel zowel berouw heeft betoond alsook zichzelf heeft vernederd voor Maria, Die op dat ogenblik tevens de volmaakte Liefde van God Zelf vertegenwoordigt en een Belichaming is van de volmaakte volgzaamheid jegens Gods Wet (omdat Zij geen enkele zonde heeft bedreven en dus de enige volmaakt heilige Ziel uit de geschiedenis van Gods Schepping is). De Meesteres van alle zielen heeft mij dit in visioenen getoond, het is een buitengewoon indrukwekkend beeld, dat getuigt van Haar onvoorstelbare macht.

In wezen oordeelt de ziel over zichzelf: Zij weet volkomen hoe het met haar is gesteld, en zij aanvaardt wat op haar afkomt. Er zijn drie mogelijke bestemmingen. Twee daarvan zijn definitief (de Hemel en de hel), één (het vagevuur) niet: Dit eindigt steeds met de intrede in het Paradijs.

Nadere kenniselementen in verband met de gebeurtenissen bij het levensoordeel deelde de Hemelse Koningin reeds mee in de onderrichting Het verlangen van de Eeuwige Liefde.

De evaluatie van elk detail van een mensenleven wordt gemeten volgens datgene, wat dit detail voor Gods Werken heeft opgeleverd. In hoeverre heeft elke handeling, elk woord, elke gedachte, elk gevoel, elk verlangen en elke bestreving de ziel in haar ontplooiing gestimuleerd respectievelijk gehinderd, en in hoeverre heeft het Gods Heilsplan bevorderd respectievelijk gehinderd? Het hele leven dient zich derhalve aan de ziel aan in de vorm van een totaalcijfer. Daarmee is echter niet alles gezegd: God zou God niet zijn, wanneer alles slechts een kwestie van rekenwerk zou zijn. Een veelvoud aan bijkomende factoren beïnvloedt zelfs op dat ogenblik nog de definitieve globale evaluatie van het voorbije leven, onder andere:

  • de Voorspraak van Maria;
  • eventuele gebeden, opofferingen en Heilige Missen die van harte en met het nodige Vuur voor deze ziel zijn aangeboden;
  • de totale, diep beleefde toewijding van familieleden van deze ziel, aan Maria;
  • de mate van berouw van de ziel die voor de Troon van de Goddelijke Rechter verschijnt;
  • de diepgang van het geloof van deze ziel in de Liefde en de Werken van God;
  • de mate waarin deze ziel verlangt naar Gods Tegenwoordigheid;
  • de mate waarin deze ziel van harte bereid is om te vergeven aan medeschepselen die haar op één of andere wijze schade of leed hebben berokkend of van dewelke zij meent dat zij haar schade of leed hebben berokkend (een ziel die sterft in een gesteldheid van wraakzucht of gebrek aan vergevingsgezindheid, kan zelf ook door God niet worden vergeven).

Zelfs nadat de globale evaluatie over het voorbije leven met deze bijkomende factoren is verbonden, krijgt de ziel nog de vrije keuze, voor of tegen God te kiezen. De Meesteres van alle zielen heeft mij ooit meegedeeld dat er zielen zijn die, hoewel zij op grond van alle factoren strikt genomen volgens de Goddelijke Wet verdoemd zouden moeten worden, op kracht van een buitengewoon machtige tussenkomst van Maria niettemin van de hel werden gered, en desondanks niet voor God kozen. Deze zielen verdoemen letterlijk zichzelf. God respecteert altijd de vrije wil. Zelfs de redding voor de eeuwigheid dringt Hij geen enkele ziel op. Wanneer het echter voor een ziel op grond van alle genoemde factoren niet mogelijk is, ooit de volmaakte Liefde in zich te verwezenlijken, kan deze ziel niet gered worden.

Op 17 augustus 2007 zei de Koningin des Hemels in dit verband tevens:

"Zelfs wanneer een ziel in onherstelbare staat van ongenade op haar levensoordeel verschijnt, wordt zij niet door God gestraft, doch door de uitwerkingen van de eeuwige Wet automatisch naar de eeuwige duisternis verwezen. Zelfs in dat uur nog, stelt Gods Barmhartigheid haar in de gelegenheid om te kiezen voor de Liefde. In de werkelijke zin van het woord straft God geen enkele ziel. Het is de ziel die zichzelf kan verdoemen. Hetzelfde geldt voor de zware verstoringen in de natuur: Dit zijn geen straffen van God, doch logische uitwerkingen van de zonde. Het is de mens die bezig is, zichzelf te vernietigen door de influisteringen van de duisternis te volgen. De mens hoeft niet God te vrezen, doch zichzelf".

Op 17 november 2018 gaf de Meesteres van alle zielen aan Myriam een bijzondere private openbaring waarin Zij de persoonlijke inzet van elke individuele ziel als bepalende factor voor haar eeuwige bestemming onderstreepte:

"Ik wil iets duidelijk stellen in verband met de uitspraak die soms door zielen wordt gebruikt: 'Ik wil niet naar de hel gaan'.

Deze uitspraak heeft slechts zin in één enkele betekenis, namelijk indien diegene die haar gebruikt, oprecht bedoelt 'Ik wil niet zodanig leven dat ik op grond van de Wet van Gods Gerechtigheid mijzelf zou verdoemen'. Ik lees bij deze uitspraak echter steeds in de harten de volgende betekenis: 'Ik wil niet dat God mij naar de hel zou sturen'.

Dit is volslagen onzinnig. God stuurt geen enkele ziel naar de hel. De ziel verdoemt steeds zichzelf, door haar gedrag en hartsgesteldheden zodanig vorm te geven dat Gods Wet van Gerechtigheid zich automatisch tegen haar keert. De Wet der Gerechtigheid beoogt, het evenwicht binnen de Schepping in stand te houden en waar nodig te herstellen. Elke overtreding tegen de Ware Liefde stelt automatisch de Wet der Gerechtigheid in werking. God Zelf neemt hierover geen enkele beslissing, Zijn onfeilbare Wet komt uit zichzelf in werking, ter bescherming van de hele Schepping tegen de effecten van elke injectie van duisternis door overtredingen van de Wet van de Ware Liefde.

Of een ziel naar de hel gaat of niet, is uitsluitend haar eigen verantwoordelijkheid. Slechts de ziel zelf kan dit bewerken, of verhinderen. Dit verhinderen, kan zij uitsluitend en alleen door een radicale, vlekkeloze en onvoorwaardelijke toepassing van de Wet van de ware, zelfverloochenende Liefde in alle details van haar gedrag, woorden, gedachten, gevoelens, verlangens en bestrevingen. De gesteldheid van hart jegens God, jegens alle medeschepselen en jegens elke gebeurtenis en situatie van het leven is de enige factor die bepaalt of de ziel zichzelf verdoemt, of niet. De uitspraak 'Ik wil niet naar de hel gaan', zonder een radicale beleving van de Ware Liefde, is even onzinnig als tegen hoge snelheid in een afgrond te rijden en uit te roepen 'Ik wil niet te pletter storten', zonder ooit de intentie te koesteren om het rempedaal in te drukken'.

Op gelijkaardige wijze wordt ook de uitspraak 'Ik wil in de Hemel komen' door zielen vaak vanuit de verkeerde hartsgesteldheid gebruikt.

Deze uitspraak heeft slechts zin wanneer diegene die haar gebruikt, in alle oprechtheid bedoelt 'Ik wil zodanig leven dat de balans van mijn leven op aarde volmaakt in harmonie is met de Wet van de Ware Liefde, en ik in alle opzichten een positief verschil zal hebben gemaakt voor Gods Heilsplan, voor Gods Werken en voor het welzijn van alle medeschepselen die ik op mijn levensweg heb gevonden'.

Bij de uitspraak 'Ik wil in de Hemel komen', leeft echter bij sommigen in werkelijkheid de betrachting dat God hen in de Hemel moet binnenhalen, zonder dat zij daarbij overwegen dat de eeuwige bestemming van de ziel uitsluitend wordt bepaald door de inzet van de ziel om de Goddelijke Wet van de Ware Liefde spontaan, onvoorwaardelijk en volhardend toe te passen in alle details van haar leven en in de gesteldheden van haar hart, tot en met de meest verborgen innerlijke gesteldheden.

De uitspraak 'Ik wil in de Hemel komen' heeft daarom slechts zin in de mate waarin de ziel door eigen spontane, gedreven inzet Gods Wet van de Ware Liefde beleeft. Deze uitspraak heeft geen enkele zin wanneer de ziel daarbij slechts uiting geeft aan het verlangen dat God haar ooit in de Hemel zou binnenhalen".

Reeds in een Openbaring van 20 september 2009 had de Koningin des Hemels gewezen op de actieve beleving van de Liefde als sleutel tot het Eeuwig Leven in de Hemel:

"Zalig de ziel van wie God in het uur van het levensoordeel kan vaststellen dat zij haar leven op aarde heeft benut om de levens van medemensen en dieren te verrijken met haar Liefde. Zalig de ziel tot wie Hij zal zeggen: 'Vele mensen- en dierenlevens zijn beter geweest omdat jij op hun pad was'. Zalig zij die Liefde en gewillige offers hebben gezaaid, want zij zullen Hemelse tuinen en de zoete vruchten der Eeuwige Gelukzaligheid oogsten".

Het Eeuwig Leven in de Gelukzaligheid is geen vanzelfsprekendheid. Niet alleen moet deze 'verdiend' worden, zij moet bovendien ook nog 'door de ziel worden verdragen'. Ik kom hier wat verder uitvoeriger op terug.

Een ziel gaat niet vóór het uur van haar levensoordeel verloren: Tot in dat uur krijgt de ziel elk ogenblik de kans om voor het Ware Licht te kiezen. Wij mogen daarom ook nooit uit het oog verliezen dat vele van onze gebeden, toegewijde beproevingen en offers hun grootste effect ontwikkelen in het uur van het levensoordeel van de ziel voor wie wij deze (soms jaren voordien) aanbieden.

Wij moeten ons ervan bewust zijn dat de ziel niet op aarde is voor het aardse leven op zich, doch voor het Eeuwig Leven. Daardoor kan ook beter worden begrepen dat men niet te gemakkelijk mag menen dat gebeden en offers vergeefs worden aangeboden. Voor God is uiteindelijk van belang dat de ziel 'ergens tijdens haar voorbereiding op het Eeuwig Leven', dit wil zeggen op een zeker punt tussen haar geboorte in het vlees en haar levensoordeel na de aardse dood van het lichaam, het inzicht van het Ware Licht en de Waarheid over haar eigen fouten aanvaardt en daadwerkelijk van harte volgens dat inzicht begint te leven.

De mate waarin de ziel binnen Gods Plannen en Werken productief is, zal een bijzonder grote invloed hebben op haar innerlijke Vrede. De ziel kan zich ononderbroken onrustig en ontevreden voelen omdat haar geweten, dat grote regelmechanisme van de spirituele processen en het controlemechanisme van de ontwikkelingsstand van de ziel binnen Gods Heilsplan, de ziel voortdurend signalen kan sturen in de zin van "Jij bent toe aan een koersverandering, want zo kom je niet aan je doel". De ziel 'hoort' deze signalen niet altijd in duidelijke woorden, deze dringen gewoonlijk tot haar door in geheimcode. In de mate waarin de ziel haar leven op God richt, zal zij deze code vlugger kunnen ontsleutelen. Bij de meeste zielen echter, zetten deze geheime signalen een mechanisme in gang dat wij kennen als 'innerlijke onrust'. Het gaat daarbij in principe niet om een foltering van Gods wege, maar om een mechanisme van zelfbescherming, een geschenk 'van Boven'. Het geweten is wellicht het grootste geschenk van God aan elke ziel, want het bevat de richtingaanwijzer naar de poort van het Eeuwig Heil, het bevat in zekere zin Gods Wetboek, alsook een kompas waarvan de wijzer voortdurend naar Gods Hart wijst door de immense aantrekkingskracht van Gods Liefde, die wij zouden kunnen vergelijken met een grote magneet.

Ik heb daarnet reeds moeten vermelden dat de ziel na haar leven op aarde in feite zichzelf oordeelt, doordat zij in dat uur van de Goddelijke Rechter het vermogen ingestort krijgt om haar hele voorbije leven tot in alle details te zien zoals God het heeft gezien. Daardoor kan de ziel zelf vaststellen welke verdiensten en tekortkomingen ten aanzien van de Wet van de Ware Liefde zij in dat uur in zich draagt. Zij ziet de balans van haar voorbije leven met daarbij als het ware het waardecijfer dat haar voorbije leven voor God heeft gescoord. Deze balans zou men zich kunnen voorstellen als het onfeilbaar resultaat van een Goddelijk wiskundig programma dat wordt toegepast op alle doen en laten en alle innerlijke gesteldheden die de ziel gedurende haar hele leven op elk ogenblik heeft gekoesterd en gesteld, volgens de positieve of negatieve betekenis ervan voor de ontwikkeling van Gods Heilsplan. Zo krijgt een ziel als het ware voor haar innerlijk oog een rapportcijfer tussen 0 en 100 te zien, bijvoorbeeld 87,12 indien zij gemiddeld een zeer goed leven heeft geleid, of 15,10 indien zij haar leven heeft prijsgegeven aan overwegend duistere gesteldheden en gedragingen, enzovoort. Zeer lage cijfers kunnen goedmaking in het vagevuur onmogelijk maken. In dat geval kan de ziel niet anders dan het Eeuwig Leven verliezen. Daarover zo dadelijk méér.

Zeer hoge cijfers maken het soms mogelijk dat een ziel onmiddellijk tot de Hemel kan worden toegelaten, omdat de Goddelijke Barmhartigheid in deze gevallen het verschil tussen de score van de ziel enerzijds en de absolute volmaaktheid (cijfer 100) anderzijds, kan overbruggen zonder dat Gods Heilsplan en het evenwicht binnen de Schepping hierdoor schade zouden lijden.

Wanneer de ziel een cijfer ziet waarvan zij op grond van de haar op dat ogenblik vergunde Goddelijke inzichten beseft dat het zich in de 'schemerzone' bevindt (met andere woorden: dat de ziel te veel sporen van duisternis in zich draagt om een volledige tegemoetkoming vanwege Gods Barmhartigheid te kunnen rechtvaardigen), weet zij dat zij onmogelijk de Hemel kan binnengaan alvorens een grondige en vaak langdurige loutering in het vagevuur te hebben ondergaan, waarbij zij door liefdespijnen en de kwellingen van een volmaakt berouw haar tekortkomingen in de Liefde zal moeten compenseren.

De Eeuwige Bestemming van een ziel wordt lang niet uitsluitend bepaald door wat in mensenogen een koele wiskundige berekening zou heten; ook Gods Barmhartigheid en de Voorspraak van de Koningin des Hemels spelen een grote rol. Doorslaggevend echter, en dit mogen wij nooit uit het oog verliezen, is dat het waardecijfer over het voorbije leven uiteindelijk wordt bepaald door de mate en de zuiverheid van de door de ziel opgebrachte Liefde in doen en laten, in gedachten, gevoelens en bestrevingen op elk ogenblik en in alle situaties van haar leven en in al haar reacties op de gebeurtenissen en situaties van haar leven en op al haar medeschepselen.

Om deze reden is het van groot belang dat de ziel elk ogenblik van haar leven op de Ware Liefde georiënteerd leeft, tot in haar allerdiepste innerlijke gesteldheden. Een blijvende gesteldheid van negativiteit naar het eigen leven en naar de medeschepselen toe, legt daarbij een laag van duisternis over alles wat in de ziel leeft en alles wat van haar uitgaat. Zelfs indien de ziel in deze gesteldheid geen concrete misdaden zou plegen, zou de balans van haar leven niettemin negatief uitvallen, omdat haar hart als het ware constant in duisternis is gehuld en zij daardoor geen kanaal vormt voor een onbelemmerde doorstroming van Gods Liefde naar haar medeschepselen toe. Het is belangrijk dat elke ziel dit beseft, want de duisternis verblindt talloze zielen zodanig dat zij zich deze waarheid nooit voor ogen houden. Het feit dat een mens geen waarneembare moord heeft gepleegd of geen waarneembare schade aan medeschepselen heeft toegebracht, maakt haar leven in Gods ogen niet noodzakelijk tot een vruchtbaar of heilig leven: De ziel kan zeer veel duisternis over de Schepping brengen vanuit een hart dat in het onzichtbare zeer onzuivere gevoelens koestert, waardoor zij schade en verwoesting kan aanrichten die geen mens ziet.

Reeds op 29 juni 2007 zei de Meesteres in een Openbaring tot Myriam:

"Onthoud dat de Liefde de essentie van het Goddelijk Leven is, en dat het spoor dat God van Zichzelf in elk schepsel legt, eveneens niets anders is dan een uitvloeisel van de Liefde. Daarom ziet de ziel bij haar levensoordeel elke overtreding die zij jegens een medeschepsel, mens of dier, heeft begaan, als een overtreding jegens God Zelf. Elke zonde, elke geregeld bedreven ondeugd, elke nalatigheid, elke onzuiverheid in handelingen, woorden, gedachten, gevoelens en verlangens, wordt door de ziel tijdens haar levensoordeel ervaren als een pijn, omdat zij deze dan ziet zoals zij werkelijk zijn: verwondingen die toegebracht zijn aan Gods Hart. Elke zonde is de vrucht van een gebrek aan Liefde, soms langdurig, soms gedurende een kortstondige bekoring.

Alles wat tijdens een mensenleven afwijkt van Gods Wet, die in de eerste plaats de Wet van de Liefde is, wordt door de ziel bij haar levensoordeel geschouwd tegen de achtergrond van de volheid van Gods Waarheid, die in de ziel wordt ingestort onmiddellijk vóór zij de film van haar voorbije leven op aarde ziet.

Op grond hiervan ziet zij haar voorbije leven in één ogenblik tijd zoals God Zelf het heeft gezien en aangevoeld, met al Zijn vreugden, pijnen en teleurstellingen erover op grond van de mate waarin dat leven al dan niet in overeenstemming is geweest met Gods volmaakte Wet en met het Plan van Heil voor alle zielen. Ik herinner aan het Evangelie waarin Jezus zegt dat alles wat men voor de geringste heeft gedaan of niet heeft gedaan, men in feite voor Hem heeft gedaan of niet heeft gedaan. Ik herinner ook aan de woorden waarin Hij de zielen erop wijst dat Hij hen zal oordelen op grond van het feit of zij Hem al dan niet hebben te eten of te drinken gegeven, gekleed, bezocht enzovoort. In het uur van het levensoordeel gaan deze woorden in vervulling.

Bij haar levensoordeel ziet de ziel elk detail van haar voorbije leven zo, dat zij in deze levensfilm niet de mens jegens wie, of het dier jegens hetwelk, zij heeft gehandeld, vóór zich ziet, maar het Goddelijk spoor dat in deze wezens aanwezig was: een ziel wanneer het een mens betrof, en een levensprincipe uit Gods hand wanneer het een dier betrof, dit alles bestaande uit Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid en Intelligentie, en gebruikt als een instrument van de Goddelijke Voorzienigheid tot hulp voor de vervolmaking van de ziel.

De ziel ziet dus daadwerkelijk welke uitwerkingen al haar handelingen, woorden, gedachten, gevoelens, verlangens en nalatigheden hebben gehad op Gods Plannen en Werken, op Gods eigendom in het medeschepsel, en op het evenwicht van de Schepping als geheel.

Doordat de ziel dit alles nu ziet en aanvoelt zoals God het heeft gezien en aangevoeld, bezield met de kennis van de volle Waarheid over alle elementen van het Heilsplan en het verband tussen menselijke handelingen, Gods Heilsplan en het evenwicht of de verstoring van de Schepping, krijgt zij tijdens haar levensoordeel een kennis van, en inzicht in, haar eigen allerdiepste gesteldheden, en is zij op dat ogenblik in staat om zelf een nauwkeurig, waarheidsgetrouw en onbevooroordeeld oordeel te vormen over de waarde die haar voorbije leven voor Gods Werken en Plannen heeft gehad. Dit oordeel is volkomen in overeenstemming met Gods oordeel, zodat de ziel in feite zichzelf veroordeelt en met volmaaktheid weet of zij waardig is om het Paradijs te betreden, dan wel eerder een periode van loutering in het vagevuur nodig heeft of zelfs de eeuwige verdoeming verdient.

De ziel begrijpt dus ten volle dat dit oordeel volkomen in overeenstemming is met de volmaakt rechtvaardige Beschikkingen van Gods Wet. Dit neemt niet weg dat het oordeel van de eeuwige verdoeming vernietigend is. Wanneer de ziel op grond van deze beschouwing van haar eigen leven begrijpt dat zij niet klaar is voor een onmiddellijke intrede in Gods Paradijs, aanvaardt zij dit met pijn doch in het besef dat zij intense pijnen zou lijden indien zij in onvolkomen gelouterde toestand tot de Hemel zou worden toegelaten. Het besef van haar onvolkomenheid in de Liefde zou haar verschroeien, zodat zij geen deel zou krijgen aan de uitwerkingen van de eeuwigdurende Gelukzaligheid. Bij het verloop van het levensoordeel spelen nog andere factoren een rol, waarover Ik de zielen later zal onderrichten".

Op 24 april 2018 schonk de Meesteres van alle zielen aan Myriam de volgende zeer veelzeggende Openbaring over het levensoordeel, waarvan Zij in het kader van deze onderrichting de publicatie toestaat:

"In het uur van het oordeel dat God over het voorbije leven van een mensenziel velt, wordt de ziel geconfronteerd met de Waarheid dat God absoluut niets, geen enkel detail, ontgaat.

God zou je kunnen vergelijken met een onfeilbaar röntgentoestel dat dwars doorheen alles kijkt en uiterst gedetailleerde en scherpe beelden kan opnemen.

Ik heb je reeds eerder gezegd dat elk levend wezen in de kern van zijn ziel, respectievelijk van zijn levensprincipe (dit laatste wanneer het een dier betreft), als het ware een logboek draagt, waarin tot in de allerkleinste details en op volkomen onherroepelijke wijze worden opgetekend – en in de context van deze woorden geldt dit alles slechts voor de mensenziel:

  • elke gebeurtenis van het leven vanaf het ogenblik van de geboorte tot op het ogenblik van de lichamelijke dood;
  • elke gestelde handeling alsook elk verzuim of elke nalatigheid, in combinatie met de exacte gevoelens, gedachten en verlangens die in het hart leefden op het ogenblik waarop elke handeling werd gesteld;
  • elk gesproken woord in combinatie met de begeleidende gevoelens, gedachten en verlangens;
  • elke gedachte, elk gevoel, elk verlangen, elke innerlijke gesteldheid op elk ogenblik van het leven, vanaf de geboorte tot de lichamelijke dood. Hierin is derhalve ook begrepen: alles wat op elk ogenblik van elke dag en nacht in het verborgene van de ziel omgaat, zelfs wanneer geen sprake is van concrete gedachten, woorden of handelingen, met andere woorden ook in wat de mens 'verloren ogenblikken' pleegt te noemen.

In het uur van het levensoordeel leest God dit alles onfeilbaar, onherroepelijk en tot in de kleinste details uit het logboek van de door Hem te oordelen ziel af.

Ooit openbaarde de Meesteres van alle zielen in verband met dit 'logboek' een zeer opmerkelijk gegeven in het kader van Gods Alwetendheid: Zij wees er toen op, dat voor God als Rechter bij het levensoordeel niets verborgen blijft, door te tonen dat zelfs elk dier dat sterft, in Gods Hart terugkeert, en dat het levensprincipe van het gestorven dier voor God is als een open boek: In dit levensprincipe ligt als het ware de film van zijn voorbije leven. Alles wat dit dier heeft meegemaakt en gevoeld met betrekking tot mensen met wie het in contact is geweest, al was het zelfs slechts een seconde lang, en alles wat het in het verborgene heeft opgevangen aan gedachten of gevoelens van mensen, dat alles ligt in het levensprincipe van dit dier opgeslagen. Is een dier bijvoorbeeld door een mens mishandeld, dan staat deze mishandeling in zijn levensprincipe afgedrukt, samen met de bron door dewelke het deze mishandeling heeft geleden. Zo getuigt een dier dat is mishandeld, vervloekt of op welke andere wijze dan ook door toedoen van een mens de dood heeft gevonden op een ogenblik en een wijze die niet door God waren beschikt, zonder woorden van alles wat het heeft meegemaakt én van de naam of namen van de schuldige(n). Deze informatie wordt door God in het levensboek van de betreffende mensenziel(en) ingeschreven, die tijdens hun eigen levensoordeel hiermee zullen worden geconfronteerd in de mate waarin zij hun zonde niet oprecht en rouwmoedig hebben gebiecht én door vlekkeloze Liefde hebben goedgemaakt.

Door deze openbaring onderstreepte de Koningin des Hemels tevens het feit dat ook de wijze waarop een mensenziel omgaat met dieren, een rol speelt bij de beoordeling van de mate waarin deze ziel al dan niet de Ware Liefde heeft beleefd, en dat ook tekorten aan Liefde jegens dieren voor God gelden als uitdrukkelijke inbreuken op Gods Levensplan voor de hele Schepping. Een gestorven dier legt op dezelfde wijze ook zonder woorden getuigenis af van alle goeds, alle Liefde, die het van mensenzielen heeft ontvangen, met inbegrip van de namen van zijn weldoeners.

God leest in het uur van het levensoordeel op uiterst precieze wijze elke innerlijke gesteldheid af, die in de ziel werkzaam is op het ogenblik waarop haar leven op aarde eindigt.

Elke handeling, elk verzuim, elke nalatigheid, elk woord, elke gedachte, elk gevoel, elk verlangen, elke bestreving, elke innerlijke gesteldheid van elk ogenblik van het hele leven draagt een exact waardecijfer, volgens het nut, respectievelijk het nadeel of de schade die dit alles oplevert voor Gods Plannen en Werken, voor het geheel van de Schepping en voor het leven van alle medeschepselen als geheel, voor het leven en de innerlijke bloei van de individuele medeschepselen die rechtstreeks bij elke handeling, gevoel, gedachte enzovoort zijn betrokken, en volgens de mate waarin dit alles Gods Wetten al dan niet in staat stelt om zich in de medeschepselen en in de Schepping als geheel vlekkeloos en volgens Zijn bedoelingen uit te werken.

Ook de innerlijke gesteldheden die in de ziel werkzaam zijn op het ogenblik van haar overgang uit het stoffelijk leven naar het uur van haar levensoordeel, dragen op hun beurt een waardecijfer, want zij tonen God exact op welk punt van spirituele ontwikkeling de te oordelen ziel zich bevindt en in welke mate zij haar vermogen en haar vrije wil om Zijn Wetten exact na te leven en Zijn Werken en Plannen te helpen voltooien, in stand heeft gehouden en heeft ontplooid.

Het geheel van al deze informatie draagt de ziel op het ogenblik van haar overgang uit het stoffelijk leven in het 'logboek' van haar leven en van haar gesteldheden. God leest en analyseert dit alles feilloos en tot in de allerkleinste details in een fractie van een seconde, en baseert Zijn oordeel op deze onfeilbare analyse in combinatie met de gerechtvaardigde invloeden vanwege de Liefde uit de Voorspraak van de Koningin van alle schepselen en met eventuele andere invloeden die Zijn Barmhartigheid in staat kunnen stellen om Zijn onfeilbaar oordeel over het voorbije leven in het voordeel van de te oordelen ziel te nuanceren.

Dit betekent in geen enkel geval dat het oordeel dat God velt op basis van de Wetten van Zijn Gerechtigheid, zelfs in het geringste foutief of niet gerechtvaardigd kan zijn; het betekent uitsluitend, dat Zijn Liefde zo volmaakt is, dat Hij factoren heeft voorzien die dit onfeilbaar oordeel niettemin kunnen verzachten in het voordeel van de te oordelen ziel. Deze factoren zijn de mechanismen die Hij heeft bekleed met het vermogen om Zijn Barmhartigheid in werking te stellen. De krachtigste van deze factoren zijn:

  1. Mijn Voorspraak, die moet worden beschouwd als de macht van Mijn absoluut volmaakte Liefde die, binnen de door de Wetten der Gerechtigheid gestelde grenzen, bepaalde elementen van duisternis teniet kan doen. Deze grenzen worden in de eerste plaats bepaald door de gesteldheden die God in de ziel aantreft op het ogenblik van haar verschijning voor Zijn Rechterstroon, en in het bijzonder door de mate waarin de vrije wil van de te oordelen ziel bewust en actief op de eenwording met Zijn Wil is gericht;
  2. de mate van oprecht berouw die God in de ziel aantreft;
  3. de mate waarin de ziel elke begane overtreding tegen de Wet van de Ware Liefde heeft goedgemaakt in haar doen en laten, haar denken, voelen en verlangen jegens Gods Plannen en Werken en jegens al haar medeschepselen, in het bijzonder jegens diegene, die zij door handelingen, nalatigheden, woorden, gedachten, gevoelens, verlangens of via welke innerlijke gesteldheid dan ook kan hebben geschaad of kan hebben willen schaden.

God beoogt slechts één ding: dat Zijn Schepping in evenwicht zou worden gehouden. Om dit te bekomen, moet elk spoor van duisternis op één of andere wijze worden vergoed. Dit moet in de eerste plaats gebeuren door de schuldige ziel zelf, via bewuste handelingen, gedachten en gevoelens van oprechte, zelfverloochenende Liefde jegens God, Zijn Werken, alle medeschepselen en de Schepping als geheel. De factoren die Zijn Barmhartigheid in werking kunnen stellen, zijn eveneens werkingen van compenserende Ware Liefde. Uitsluitend de interventies van Ware Liefde kunnen schulden helpen vergoeden die niet door de compenserende werkingen van de Goddelijke Gerechtigheid zijn vergoed. Om deze reden treedt bij elk levensoordeel de Wet van Gods Gerechtigheid onveranderlijk in werking, en werkt de Goddelijke Barmhartigheid op aanvullende wijze in de mate waarin Gods Gerechtigheid dit op grond van de ernst van de schuld van de te oordelen ziel al dan niet kan toestaan".

Een ziel die aan duistere gesteldheden blijft vasthouden in de waan dat zij bij haar levensoordeel de keuze zal krijgen om de Hemel binnen te gaan, redeneert vanuit een ernstige dwaling die door de satan aan de ziel wordt ingefluisterd om haar te verblinden, opdat zij zijn plannen zou blijven dienen. Weet, dat deze dwaling berust op een gesteldheid van zelfzucht: De ziel blijft Gods Plannen en Werken, en haar medeschepselen, schade berokkenen in de mening dat zij desondanks bij haar levensoordeel haar eigen Eeuwige Gelukzaligheid zal kunnen vrijwaren. Wij moeten echter heel goed beseffen dat de ziel die levenslang vasthoudt aan haar eigen gedragingen en gesteldheden, wetende dat deze haar medeschepselen en God Zelf schaden, bij haar levensoordeel geen enkel argument kan voorleggen dat haar de Eeuwige Gelukzaligheid zou kunnen bereiden. Zij heeft een leven lang het goede uitgesteld. Noch Gods Barmhartigheid noch de macht van Maria’s Voorspraak kunnen dit compenseren, want indien dit wel het geval ware, zou God Zelf Zijn eigen Schepping totaal overleveren aan de grillen der duisternis en zou niet God, doch de satan almachtig zijn. Een ziel die blijft uitstellen, het goede te doen, wordt door God geoordeeld als een ziel die niet God, Zijn Werken en haar medeschepselen liefheeft, doch integendeel berekenend is: Zij leeft uiteindelijk niet voor de verwezenlijking van Gods Werken, doch voor zichzelf.

Wij moeten op grond van dit alles beseffen aan welke verblinding een ziel ten prooi is, die geen stappen onderneemt om resoluut de Ware Liefde te beginnen toepassen in al haar doen en laten en al haar innerlijke gesteldheden. De Meesteres van alle zielen zei in dit verband in een private Openbaring:

"Zielen, ontwaak, en merk tijdig welke nevelen om jullie ogen worden opgetrokken, welke ketenen om jullie heen worden gelegd, en wie dit alles met jullie doet: hij die weet welke prijs jullie later voor deze droom van eigenwaan zullen betalen. De eeuwige slavernij jegens de duisternis is een kruis dat met geen enkel kruis te vergelijken is, dat jullie ooit op aarde zouden mogen dragen".

Laten wij nu in het kort bekijken wat de Koningin des Hemels heeft geopenbaard in verband met de zijnstoestanden van de ziel na het oordeel dat God op grond van Zijn Wet van Gerechtigheid over haar leven zal vellen.

3. Het vagevuur

Zolang de ziel nog een beetje Liefde in zich draagt, dat gereinigd kan worden en waardoor de ziel toch nog tot heiliging kan worden gebracht (zij het vaak pas na een lange loutering), kan zij voor zichzelf in het vagevuur nog haar vervolmaking bewerken. Is echter in de ziel alle Liefde dood, en elke vonk voor God uitgedoofd, dan is in deze ziel het Goddelijk Leven uitgeblust. Een dergelijke ziel kan niet worden gered, omdat het gebrek aan Liefde haar volledig van God lossnijdt. Op deze wijze moet het begrepen worden dat een ziel in de hel definitief verloren is. Deze ziel heeft zichzelf voor de Verlossing buiten spel gezet. Zolang de ziel de kiem van haar heiliging niet helemaal heeft gedood door een overmaat aan duisternis in haar handelingen, gedachten, gevoelens, bestrevingen en al haar innerlijke gesteldheden, kortom door de stroming van de Liefde die God ook via haar doorheen de Schepping tracht te leiden, volledig te blokkeren en/of door haar duistere hartsgesteldheden te verontreinigen, kan zij haar innerlijke gesteldheden en de effecten van haar zonden, fouten en tekortkomingen nog louteren in de zijnstoestand van het vagevuur.

Het vagevuur is een zijnstoestand van de ziel na voltooiing van haar leven op aarde, waarin de ziel zich bevindt op grond van het oordeel dat God onmiddellijk na haar laatste ogenblik in een levend lichaam op aarde, over haar leven heeft geveld – rekening houdend met deze hele reeks factoren waarover ik het hierboven had. De ziel moet doorheen deze zijnstoestand wanneer blijkt dat zij de Ware Liefde niet in de mate die noodzakelijk is voor de bevordering van haar eigen heiliging en voor de verwezenlijking van Gods Heilsplan, in zich heeft ingebouwd noch haar in diezelfde mate in alle aspecten van haar leven heeft toegepast en om zich heen heeft verspreid.

Hierbij moeten wij niet slechts het voorbije mensenleven in zijn geheel beschouwen (was dit een 'goed mens' of niet?), doch in alle aspecten van dat leven. Een mensenleven bestaat uit ontelbare miljoenen situaties (vele daarvan duren slechts een paar seconden, bijvoorbeeld een plots opwellende gedachte of gevoel). Elke van deze situaties en de bijhorende gedragingen en reacties vanwege de ziel wordt door God beoordeeld. Bij de gedragingen moeten wij bedenken dat een aantal ervan uiterlijk zijn (men ziet wat iemand doet, of hoort wat hij zegt), doch zeer vele innerlijk (elke gedachte, elk gevoel, elke verborgen bestreving: dit alles ziet en voelt slechts God – op grond van Zijn alomvattend bewustzijn van alles wat zich in Zijn schepselen afspeelt – en zij worden alle in het levensoordeel meegerekend).

Hierdoor is het meestal zo, dat een ziel in het algemeen beschouwd een deugdzaam leven kan hebben geleid, en wel degelijk flink gevorderd kan zijn in de beleving van de ware, onzelfzuchtige Liefde, en toch voor vele heel kleine momentjes van ontoereikende beleving van de Liefde in handelingen, woorden, gedachten, gevoelens en bestrevingen een zekere goedmaking jegens Gods Gerechtigheid moet leveren, indien deze ziel in de loop van haar leven onvoldoende goedmaking heeft geleverd door akten van naastenliefde, gebed, Biecht, berouw, boetedoening, verstervingen, van harte toegewijde offers, enzovoort. De rekening kan door geen enkel mens worden gemaakt, slechts God kent alle details en weet welke plus- en min-waarde elk detail van een mensenleven heeft voor Zijn Heilsplan.

Het 'vagevuur' wordt zo genoemd omdat de ziel daar in een drievoudig inwendig 'Vuur' wordt gereinigd: in het Vuur van haar berouw, in het Vuur van haar Liefde, en in het Vuur van haar verlangen. Daar de ziel na haar overlijden tijdens het Goddelijk oordeel de volheid van Gods Waarheid heeft mogen schouwen en ervaren, kent zij nu de ware, volmaakt zuivere Liefde (dus de Liefde die niet met de effecten van menselijke zwakheden is vermengd), en wordt zij door de smart over de misstappen en fouten van haar voorbije leven verteerd. Zij begrijpt nu hoeveel pijn zij God en Maria heeft berokkend, en betreurt deze met een kracht die minstens honderd maal zo groot is als het berouw op aarde. Dit komt doordat de waarneming vanuit haar hart dan niet meer door aardse invloeden wordt beneveld.

Wanneer God het leven van een ziel op aarde beëindigt, wordt dus het aardse leven van deze ziel, evenals de gesteldheid in dewelke zij zich op het tijdstip van haar dood bevond, door Hem beoordeeld. In wezen komt het oordeel hierop neer, dat God in de ziel het gehalte aan Liefde opmeet, dat Hij in haar aantreft en dat zij in de loop van haar leven op aarde in oprechtheid en zelfverloochening (dus vrij van eigenbelang) jegens al haar medeschepselen (mensen en dieren, ja zelfs jegens de natuur, het leefmilieu) in toepassing heeft gebracht vanuit een oprechte gedrevenheid om Gods Werken te dienen. Dit gehalte aan Liefde bepaalt waar de ziel voor het Eeuwig Leven heengaat. Vele zielen moeten gedurende een bepaalde tijd een zuivering (= loutering) ondergaan. Deze louteringsperiode noemen wij 'het verblijf in het vagevuur'. Het 'Vuur' dat de loutering voltrekt, moeten wij ons voorstellen als een drievoudig Vuur:

  • een Vuur van Liefde
  • een Vuur van berouw
  • een Vuur van verlangen

1. Een Vuur van Liefde:
Het Ware Leven van de ziel bestaat uit Liefde. De Liefde is de eigenlijke kracht die ervoor zorgt dat een mensenziel leeft. Zij is de brandstof van de ziel. Zonder de Liefde is de ziel als een auto zonder benzine: Niets beweegt, hij geraakt niet vooruit. Wanneer een ziel in de loop van haar aardse leven te weinig Liefde geeft (in handelingen, in woorden, zelfs in gedachten en gevoelens over haar medeschepselen) vindt God in haar 'te weinig levenskracht'. De ziel moet een bepaald gehalte aan Liefde en levenskracht bezitten om in het Eeuwig Paradijs te kunnen binnengaan. Dit vloeit voort uit het feit dat de ziel, in wie te weinig zuivere Liefde werkzaam is, het leven in de Hemel helemaal niet zou kunnen verdragen, omdat zij in dergelijke omstandigheden de volheid van de machtige, onbevlekte Liefde die van God, van Maria, van de volledig gelouterde Hemelbewoners uitgaat, niet in zich kan opnemen. Het contrast met haar 'onzuiverheid' is dan te groot en de stromen van de zuiverste Liefde zouden op haar het effect hebben van een Vuur, niet een Vuur dat haar aan de verrukkingen van de Gelukzaligheid deel laat hebben, doch een Vuur dat haar zou 'verbranden'. Daarom is het als een vorm van 'beschermingsmaatregel' vanwege de Goddelijke Voorzienigheid te beschouwen dat een ziel, die om redenen van gebrek aan Liefde relatief 'onzuiver' is, eerst en vooral een loutering in het vagevuur van de Ware Liefde nodig heeft alvorens zij in de Hemel kan binnentreden.

2. Een Vuur van berouw:
In het uur van de dood verschijnt de ziel vóór God om door Hem geoordeeld te worden. De Koningin des Hemels is eveneens bij dit gebeuren aanwezig. God ontvouwt daar voor de ziel een geweldige daad van Barmhartigheid. Hij toont haar in enkele ogenblikken elk detail van haar pas afgesloten leven zoals Hij deze details heeft gezien en ervaren. De ziel krijgt daardoor de gelegenheid, zichzelf zo te zien zoals zij werkelijk is geweest, welke misstappen, zonden, nalatigheden en ondeugden zij op aarde heeft bedreven en waarom God deze als misstappen, zonden, nalatigheden of ondeugden beschouwt. Dit betekent: De ziel krijgt een immense les in inzicht in Gods Wetten. Zo leert zij de volheid van Gods Waarheid kennen, en op grond van deze nieuwe kennis begrijpt zij volkomen hoe het met haar is gesteld en wat haar nu te wachten staat.

Wanneer de ziel het louteringsproces in het vagevuur moet doormaken, ervaart zij dit proces de hele tijd lang in het bewustzijn van de 'film' die zij over haar eigen leven heeft gezien en het eventuele leed dat zij God door haar misstappen, zonden, nalatigheden en ondeugden heeft aangedaan. Omdat zij de hele tijd precies weet welk leed God om haar heeft geleden, en zij in Gods en Maria’s Tegenwoordigheid de overweldigende Hemelse Liefde heeft mogen ervaren, voelt zij nu pijn over haar onvolkomenheid. Deze pijn noemen wij 'berouw'.

Berouw is de gesteldheid waarin de ziel brandt in het bewustzijn van één of meer punten waarop zij is afgeweken van haar roeping om spontaan en vrijwillig zuivere Liefde te verspreiden, omdat dit bewustzijn haar herinnert aan het feit dat zij God en eventueel medeschepselen niet de Liefde heeft gegeven die zij volgens Gods Wet behoorden te krijgen, dat zij in God en eventueel medeschepselen de Liefde heeft beschaamd, of dat zij medeschepselen en/of Gods Plannen en Werken schade heeft toegebracht en zich daardoor van de Eeuwige Liefde heeft verwijderd.

De ziel heeft berouw over al datgene waardoor zij God smart heeft berokkend omdat dit alles niets anders was dan een gebrek aan Liefde, en zij nu heeft begrepen dat het de Liefde is die de ziel maakt tot beeld en gelijkenis van God. In het vagevuur brandt dit berouw in de ziel als een zuiverend Vuur. Het Vuur van het berouw kunnen wij ons voorstellen als een Vuur dat de ziel verteert wegens het intens besef van de mate waarin zij tekort is geschoten in haar rol als werktuig tot verwezenlijking van Gods Werken en Plannen.

De Meesteres van alle zielen wijst erop, dat de pijn van het berouw voor een ziel in het vagevuur zo onbeschrijflijk is dat geen ziel op aarde zich de intensiteit ervan kan voorstellen. De reden hiervoor ligt in het feit dat de ziel in het vagevuur in het uur van haar levensoordeel van Gods wege de genade heeft ontvangen om elke gelegenheid van haar voorbije leven waarbij zij op één of andere wijze van een volmaakte beleving van de Goddelijke Wet (in de eerste plaats van de Wet van de zelfverloochenende Liefde) is afgeweken, te zien en te voelen vanuit Gods volmaakte beschouwing, waardoor zij elke tekortkoming onmetelijk veel intenser aanvoelt dan de ziel op aarde deze gewoonlijk aanvoelt. Dit betekent wel, dat de ziel op aarde gewoonlijk de ware toedracht en betekenis van haar gedragingen en gesteldheden neigt te onderschatten. Zalig de ziel die, zodra zij de genade van deze kennis heeft ontvangen, hiermee alle verdere ogenblikken van haar leven bewust rekening houdt. Dit kan de ziel motiveren om zich veel bewuster te worden van haar gedragingen en gesteldheden, en te beginnen beseffen wat zij God door elke overtreding tegen Zijn Wet aandoet.

3. Een Vuur van verlangen:
Omdat de ziel na haar aardse leven precies weet hoe de ware Hemelse Liefde aanvoelt, en zij zich er ook van bewust is dat zij, zodra zij voldoende is gelouterd om deze ware Hemelse Liefde in haar volheid in zich op te nemen (omdat zij dan een heel stuk dichter bij God genaderd zal zijn) in de Hemel zal mogen binnengaan, verlangt zij ononderbroken naar de eeuwige nabijheid van God en Maria. Dit verlangen verteert de ziel als het ware omdat de voortdurende herinnering aan de ware, vlekkeloze en verrukkelijke Liefde van God en Maria die zij heeft mogen ervaren in het uur van haar dood, een allesoverheersende macht over haar uitoefent.

U kunt het zich zo voorstellen, dat God dit drieledig Vuur ertoe heeft voorzien om in de ziel in het vagevuur de sporen van de door haar tijdens haar leven op aarde begane misstappen, zonden, nalatigheden en ondeugden geleidelijk te verwijderen. Het is belangrijk dat de ziel in het vagevuur in zichzelf de Ware Liefde zo sterk mogelijk kan ontwikkelen, want de mate waarin zij op grond van dit Vuur naar de uitboeting van haar misstappen, zonden, nalatigheden en ondeugden, en naar de ware volmaaktheid van haar Liefde verlangt, bepaalt in hoge mate hoe vlug zij voor de intrede in de Hemel 'rijp' zal zijn. God bewijst door dit systeem hoe belangrijk, hoe centraal, voor Hem de Liefde is. Slechts de Liefde bepaalt de waarde van een leven, slechts de Liefde bepaalt de intrede in de Eeuwige Gelukzaligheid en het tijdstip ervan, en voor God is doorslaggevend dat de ziel zelf spontaan, vrijwillig en bewust de Ware Liefde beleeft en ervaart.

In een Openbaring op 8 juli 2007 zei de Meesteres van alle zielen:

"De ziel in het vagevuur kent de volheid van de Waarheid en weet met zekerheid dat aan haar uitboeting een einde zal komen. Er is geen sprake van enige onzekerheid. In de ogen van de ziel op aarde kan het lijken alsof de ziel in het vagevuur om deze reden een veel lichter lijden ervaart. Dit is niet het geval. De ziel in het vagevuur verheugt zich weliswaar over haar intrede in het Paradijs, die haar met zekerheid wacht, doch zij ervaart elke seconde van haar loutering tegen de achtergrond van de volheid van de kennis van Gods Waarheid en blijft hierdoor elke seconde naar zichzelf kijken zoals God haar ziet: als een ziel die het heilig verbond van Liefde jegens haar Schepper heeft geschonden en hierdoor zichzelf heeft bevlekt. Zij ziet zichzelf als een diamant met één of meer spatten of vlekken van slijk. Doordat zij sedert het uur van haar levensoordeel weet hoe kostbaar de diamant van de ziel in Gods ogen is, beschouwt zij deze verontreiniging als iets vreselijks. (...)

Het berouw van de zielen in het vagevuur is volmaakt doordat zij sedert hun levensoordeel de zonde zien zoals zij werkelijk is, en doordat hun vermogen tot liefhebben eveneens uitgezuiverd is door het contact dat zij in het uur van hun levensoordeel hebben gehad met God en met Mij. In het uur van haar levensoordeel ervaart de ziel een explosie in de kern van haar wezen. Ook de verdoemde ziel is daarvan getuige, doch weigert deze explosie werkelijk in zich te laten doordringen en gelooft slechts in de duisternis. Dit komt doordat de verdoemde ziel door de veelvuldigheid en de aard van haar zonden niet meer in staat is om deze buitengewone golf van het Ware Leven in zich op te nemen".

De bedoeling van het vagevuur is uiteindelijk slechts de vervolmaking van de ziel in de Ware Liefde, via het inzicht dat zij bij het oordeel over haar voorbije aardse leven heeft gekregen met betrekking tot de Ware Liefde en over elk detail van het leven waarbij zij deze Liefde niet heeft kunnen opbrengen. Dit inzicht, gebaseerd op het feit dat de ziel bij haar levensoordeel het voorbije leven door Gods ogen mag, respectievelijk moet zien, wekt in haar een diepe pijn over elk gebrek aan Liefde in haar voorbije leven. Deze pijn vormt de loutering. Het betreft Liefdespijn, door het inzicht dat de ziel zich door haar zonden en ondeugden van God heeft losgerukt en om deze reden nu nog niet naar Hem terug kan gaan.

De ziel die het zaad van het Lijden van Christus niet in zichzelf tot rijping heeft gebracht, blijft een dor landschap. Aan het Eeuwig Paradijs worden slechts die zielentuinen toegevoegd, die in het uur van hun levensoordeel een mate van bloei vertonen die volgens Gods Wijsheid volstaat om verder te bloeien tot een stukje Paradijs. Deze bloei kan in het vagevuur worden voltooid, doch zalig de ziel die haar hele leven richt op de volle bloei nog hier op aarde, want slechts deze ziel bewijst God dat zij Zijn Liefde waarlijk heeft gewaardeerd, en slechts de op aarde opgebrachte Liefde brengt waarlijk Licht over de hele Schepping. De bloei in het vagevuur brengt geen vruchten meer voort voor Gods Heilsplan, deze bloei is daarom in zekere zin zelfzuchtig: Zij leidt slechts tot de eigen uiteindelijke rijping, die niet meer is aangeboden om het welzijn van alle medeschepselen te verhogen.

4. De Hemel

Op 11 juni 2021 gaf de Meesteres van alle zielen de volgende Openbaring met betrekking tot de zijnstoestand van de Hemel, en verordende de opname van deze Openbaring in dit geschrift:

"De Hemel is de niet-stoffelijke zijnstoestand van Eeuwige Gelukzaligheid en van het absoluut ontbreken van enige gewaarwording van gebrek, die God voorziet voor de ziel na de voltooiing van haar stoffelijk leven op aarde indien de ziel de opdracht heeft vervuld, met dewelke zij in de wereld is gezonden.

De levensopdracht van elke ziel op aarde bestaat uit:

  1. het leveren van de grootste voor haar mogelijke bijdrage tot de verwezenlijking van Gods Werken en Plannen van Liefde in de wereld. De ziel kan de van haar verwachte bijdrage tot de verwezenlijking van Gods Werken en Plannen slechts leveren in de mate waarin zij de Goddelijke Wet van de Ware Liefde beleeft en toepast in alle details van haar leven, in al haar doen en laten, al haar woorden, gedachten, gevoelens, verlangens, bestrevingen, al haar relaties, contacten en ontmoetingen met alle medeschepselen wier levensweg Gods Voorzienigheid met haar eigen levensweg in aanraking brengt;
  2. het vrijwillig, spontaan, bewust, actief en volhardend uitbannen van elke vorm van duisternis uit al haar doen en laten, al haar woorden, gedachten, gevoelens, verlangens, bestrevingen, al haar relaties, contacten en ontmoetingen met alle medeschepselen wier levensweg Gods Voorzienigheid met haar eigen levensweg in aanraking brengt. Duisternis is alles wat Gods Werken en Plannen niet kan dienen of deze Werken en Plannen beschadigt, verontreinigt, vervormt, misbruikt, tegenwerkt, hun verwezenlijking afremt of hen tracht te verwoesten, en op deze wijze bijdraagt tot het ontstaan, de instandhouding en/of de vermeerdering van ellende, chaos, ongeluk, onvrede, ongerechtigheid, onverschilligheid, kwelling, ontwaardiging, vernietiging, of situaties die leiden tot lichamelijke dood, spirituele dood of dood van de Liefde".

De enige zin van het leven van elke ziel in een stoffelijk lichaam op aarde bestaat in de vervulling van haar levensopdracht in dienst van de verwezenlijking van Gods Werken. God tracht Zijn Werken en Plannen steeds te vervullen via mensenzielen; Hij moet daartoe van zielen de toelating krijgen om Zich van hun handen, hun mond, hun geest, hun hart en al hun innerlijke gesteldheden te bedienen. Hij kan dit slechts doen in de mate waarin een ziel haar vrije wil bewust en actief gebruikt in dienst van Gods Werken en Plannen. Om dit te verwezenlijken, moet de ziel al haar handelingen, woorden, gedachten, gevoelens, verlangens en bestrevingen vervullen met Ware Liefde, in volkomen zelfverloochening, volledige aanvaarding van alles wat zij op haar weg vindt, en moet zij haar hele innerlijke leven vrij houden van alle duisternis, van alle negatieve gesteldheden. In de mate waarin de ziel daarin slaagt, en volhardt in haar bestrevingen om altijd en overal een bron en kanaal van Liefde en Licht te zijn, verwerft zij de verdiensten van de Eeuwige Gelukzaligheid in de Hemel. Ik heb er reeds op gewezen dat het Eeuwig Leven in de Hemel voor de ziel niet evident is: De Hemel is een zijnstoestand van absoluut volmaakte Liefde, die vergelijkbaar is met een Leven in een absoluut volmaakt, onvergankelijk Paradijs met eindeloze verrukkingen. De absolute Liefde kan worden vergeleken met een Vuur, dat alles verteert wat niet met de vlekkeloze Liefde verenigbaar is.

De Hemelse Meesteres wijst erop, dat alle verrukkingen van de Eeuwige Gelukzaligheid voortvloeien uit de intense, volkomen onbelemmerde ervaring van de volheid van de Liefde. Reeds op aarde kan een mensenziel hiervan een voorsmaak proeven in de intense innerlijke Vrede en blijheid die kan ontstaan in een hart dat een medeschepsel van harte liefheeft en zich in deze ervaring vanzelf opent voor een intensere instroming van het Goddelijk Leven en voor een meer onbelemmerde doorstroming van de Liefde binnen haar ervaringswereld. De Ware Liefde is een Goddelijk Geneesmiddel dat elke duisternis onwerkzaam maakt in een hart dat zich spontaan en onbegrensd op God en de vervulling van Zijn Werken oriënteert. In de zijnstoestand van de Hemel ervaart de ziel de Liefde, Vrede en blijheid in de absoluut volmaakte graad, daar zij in deze zijnstoestand niet meer onderworpen is aan de beperkingen van het stoffelijk leven met al zijn invloeden van duisternis, lijden en droefheden. In de Hemel ervaart de ziel de zijnstoestand van de onbelemmerde stroming van de volmaakte Goddelijke Liefde. Elke waarneming van de ziel is er getekend door het feit dat alles er van deze volmaakte Liefde is doordrongen.

Zo moet de ziel de Eeuwige Gelukzaligheid reeds op aarde voorbereiden. God verlangt dat de ziel niet leeft met de doelstelling, later de Hemel te verdienen, doch met de bedoeling, de grootst mogelijke hoeveelheid Liefde en Licht voort te brengen teneinde een daadwerkelijke bijdrage te leveren tot de voltooiing van Gods Werken en Plannen. Zij kan dit slechts door een intense, spontane, oprechte, bewuste en actieve beleving van de ware zelfverloochenende Liefde, uitsluitend gedreven door het verlangen dat het eigen leven een positieve bijdrage moge leveren tot de vermeerdering van het Geluk en het welzijn van alle medeschepselen en de voltooiing van Gods Heilsplan. De ziel die zo leeft, verwerft automatisch het loon van de Eeuwige Gelukzaligheid. Indien de ziel leeft met de bedoeling, de Hemel te verdienen, leeft zij vanuit zelfzucht: Zij verlangt dan niet het welzijn en Geluk van alle medeschepselen en de voltooiing van Gods Heilsplan – en derhalve de overwinning van de Eeuwige Liefde over alle duisternis – doch de eigen Gelukzaligheid. Zelfs indien de ziel al haar levensogenblikken zou vullen met handelingen van Liefde, zal zij geen enkele verdienste verwerven indien zij deze stelt met de bedoeling, zelf in de Hemel te komen. God oordeelt niet de handelingen zelf, doch de gesteldheden vanuit dewelke deze handelingen worden gesteld. Met andere woorden: De oprechte, onbelemmerde en onvoorwaardelijke beleving van de Ware Liefde is de enige maatstaf voor de bestemming van de mensenziel na haar aardse leven.

De gouden weg naar de Eeuwige Gelukzaligheid in de Hemel is deze waarbij de ziel de Ware Liefde oprecht beschouwt als:

  • de Bron van elk detail van haar leven en al haar innerlijke gesteldheden, namelijk het diep besef dat God de Oorsprong is van alles en dat al het levende slechts van Hem afkomstig kan zijn;
  • de Draagster van elk detail van haar leven en al haar innerlijke gesteldheden, namelijk het besef dat de Ware Liefde het enige is dat inhoud geeft aan alles, en dat zonder de Ware Liefde alles leeg en inhoudsloos is. Daarom zegt de Meesteres van alle zielen dat zeer veel christenen hun leven totaal onvruchtbaar maken door de oppervlakkigheid van hun beleving: Zij stapelen handelingen, gebeden en Sacramenten op vanuit gesteldheden die weinig echte Liefde in zich dragen, in de waan dat de hoeveelheid ervan hen het Eeuwig Leven zal verwerven, doch in het uur van hun oordeel zal God met recht tot hen zeggen: "Ik heb je nooit gehoord", omdat het enige dat waarlijk Zijn Hart bereikt, de Ware Liefde, in al hun handelingen ontbrak;
  • de Bestemming van elk detail van haar leven en al haar innerlijke gesteldheden, namelijk het diep besef dat God de ware Bestemming, het enige Eindpunt van alles is, en dat elke ziel behoort te verlangen om naar Hem terug te keren om voor eeuwig in Zijn tastbare Tegenwoordigheid te leven in de absoluut ongeremde ervaring van de volmaakte Liefde.

De ziel moet zichzelf uit vrije wil volledig zuiveren van elke overtreding tegen Gods Wet van Liefde alvorens zij in staat is om het Liefdesvuur van de Hemel aan te kunnen. De ziel kan derhalve slechts in de Hemel leven wanneer zij de volmaakte Liefde in zich heeft verwezenlijkt. De heiligheid is een mate van verwezenlijking, ontplooiing en beleving van de Ware Liefde in de ziel. De Meesteres van alle zielen wees er in Haar vroegere openbaringen en onderrichtingen reeds op, dat men 'heiligheid' niet mag begrijpen als een absolute, doch als een relatieve toestand. Dit betekent dat er talloze graden van 'heiligheid' bestaan. Heiligheid is de toestand waarin een ziel in staat is om 'Heil' over de Schepping te brengen via al haar handelingen, woorden, gedachten, gevoelens, verlangens, bestrevingen en haar hele innerlijke gesteldheid. Concreet betekent dit, dat een ziel des te heiliger is naarmate zij méér Ware Liefde in zich draagt en zij deze in zuivere toestand – dit wil zeggen in een toestand waarin zij als het ware een smetteloze spiegel is van Gods Hart – vermag door te laten stromen naar al haar medeschepselen toe. Een ziel is dus op aarde nooit absoluut heilig (daar zij automatisch in diverse opzichten afwijkt van het ideaal dat bestaat uit een volmaakte overeenstemming met de Wet van de Ware Liefde), doch kan zeer uiteenlopende graden van relatieve heiligheid bereiken.

Hoe dichter de relatieve heiligheid van een ziel de graad van volmaaktheid – met andere woorden: de absolute heiligheid – benadert in het uur waarin zij het stoffelijk lichaam verlaat (dus in het stervensuur), des te kleiner zal haar behoefte aan loutering zijn, want des te beter is zij reeds 'aangepast' om het Vuur van de absoluut volmaakte Liefde van de Hemel te verdragen. De Meesteres van alle zielen toonde Haar Myriam ooit het volgende verschil: Een ziel die in haar stervensuur beladen is met zware duisternis, ervaart gedurende haar levensoordeel in de ontmoeting met God en Maria een immense schok, daar zij de Tegenwoordigheid van de absolute heiligheid van God en van de Koningin des Hemels – met andere woorden: Hun immens Liefdesvuur – nauwelijks kan verdragen en zij het gevoel heeft dat zij restloos zal verschroeien. Een ziel daarentegen, die tijdens haar levensoordeel in ver gevorderde staat van ontwikkeling en beleving van de Ware Liefde verkeert, ervaart deze ontmoeting met de Goddelijke Rechter en de Koningin van de Hemel als een immense verrukking in dewelke zij wordt opgenomen als in deinende golven uit een zalige zomerzon. Deze ziel verkeert als het ware reeds in verregaande mate in een gesteldheid die volkomen verenigbaar is met deze welke de Harten van God Zelf en van de Hemelse Koningin vervult.

Wanneer een ziel bij haar levensoordeel een balans vertoont (zoals eerder aangetoond, drukte de Meesteres van alle zielen dit ooit uit als volgt: "Wanneer de ziel draagster is van een logboek") waarin een aantal rode cijfers (= schulden jegens de Wet van de Ware Liefde) staan opgetekend, voelt zij heel goed dat haar innerlijke gesteldheid voorlopig onvoldoende verenigbaar is met de atmosfeer van de Hemel in het Paradijs waarin de Eeuwige Zomer heerst. Zij voelt dan zelf de noodzaak om een bepaalde mate van loutering te ondergaan in het vagevuur. Deze loutering in het vagevuur kan pas definitief worden voltooid zodra in de ziel de Ware Liefde volkomen is geworden. Indien de ziel eerder uit het vagevuur naar de Hemel zou overgaan dan in het uur waarin zij haar sporen van afwijking van de Ware Liefde volkomen heeft verbrand in het drievoudig Vuur waarover ik het eerder heb gehad, zou zij, om het zo uit te drukken, met zichzelf in conflict komen: Het Vuur van de Goddelijke Liefde zou haar als het ware 'verbranden'.

Op 1 juli 2021 sprak de Koningin van Hemel en aarde tot Myriam de volgende woorden, die Zij in dit geschrift laat opnemen als een samenvattende stelling over het toegangsrecht tot de Eeuwige Gelukzaligheid:

"Geen ziel komt ooit in de Hemel zonder een leven te hebben geleid in ononderbroken toepassing van de zelfverloochenende Liefde, in volmaakte aanvaarding van alles wat op haar levensweg komt, in actieve bevruchting van alle beproevingen door een oprecht verlangen naar de vervulling van Gods Werken en in verafschuwing van elk spoor van duisternis in het hart en in de eigen verlangens. Elke afwijking tussen de werkelijke gesteldheden van de ziel op elk ogenblik van haar aardse leven enerzijds en de volkomen vervulling van de bovenvermelde voorwaarden moet door de ziel worden vereffend in de zijnstoestand van het vagevuur alvorens zij toegang kan krijgen tot de Hemel".

5. De hel

Veel zielen ontvangen de roep van de Goddelijke Rechter om tot Hem terug te keren (= de dood van het stoffelijk lichaam, gevolgd door het levensoordeel) in een uur waarin het 'logboek' van hun innerlijke gesteldheden en van alle details van hun voorbije leven zodanig veel en hoge rode cijfers bevat, dat zij zelfs niet meer in staat zijn om hun overtredingen tegen de Wet van de Ware Liefde nog door het drievoudig Vuur van het vagevuur te laten verteren. De Meesteres van alle zielen bevestigde meermaals dat de louteringstijd van vele zielen in het vagevuur zeer veel jaren, niet zelden eeuwen, bedraagt. Zij zei tevens dat men de louteringstijd in het vagevuur niet naar menselijke tijd mag inschatten, daar niet de tijdsfactor bepaalt of een ziel gelouterd is of niet (in die zin wijkt het vagevuur dus duidelijk af van wat wij in de wereld kennen als een gevangenis, en de louteringsperiode van wat wij kennen als de duur van een gevangenisstraf).

Bepalend voor de voltooiing van de loutering in het vagevuur, is uitsluitend de mate waarin de ziel zich sneller en grondiger volkomen 'verenigbaar' maakt met de volheid van de Liefde. Is de schuld zodanig groot, en heeft de ziel haar kiem van Goddelijk Leven zodanig laten verkommeren door veelvuldig en ernstig gebrek aan beleving van de Ware Liefde, dan oordeelt de Wet der Goddelijke Gerechtigheid dat deze kiem van Goddelijk Leven niet meer tot leven kan worden gewekt en de ziel derhalve nooit de toestand van de Eeuwige Gelukzaligheid in de Hemel zal aankunnen. In dit geval is sprake van verdoeming: De ziel verdoemt zichzelf door haar kiem van Goddelijk Leven in de loop van haar aardse leven van alle levenskracht te beroven. De verdoeming is een eeuwigdurende verwijzing naar de zijnstoestand van de hel.

Ooit gebruikte de Hemelse Koningin het beeld, dat in de Hemel voor de mensenziel een tuin wordt voorbereid, en dat de bloemen in deze tuin worden gezaaid met zaad uit de verdiensten van het leven dat de betreffende ziel op aarde leidt. Volgens dit beeld kan men zich het leven voorstellen als een tijdsspanne gedurende dewelke de ziel zich het zaad van zoveel mogelijk verschillende bloemen zoekt te verwerven, via een volhardende beleving van de verschillende deugden. De zielentuin bevat dus als het ware het zaad van de Ware Liefde, daar alle deugden samen de Liefde vormen. Dit zaad moet bloeien tot bloemen, die de mate van heiligheid symboliseren. In het vagevuur moet de ziel het ongerijpt gelaten zaad alsnog tot bloei brengen, want de Hemel kan slechts worden betreden wanneer de zielentuin een bloemenparadijs is geworden. Een ziel die alle zaad van de Ware Liefde in zich laat verkommeren door gebrek aan verlangen om de zelfverloochenende, onvoorwaardelijke Liefde toe te passen in alle details van haar leven op aarde, kan zelfs in het vagevuur niet meer tot bloei komen: Zij heeft zichzelf nog tijdens haar leven op aarde tot een woestijn laten verworden. Deze ziel verdoemt zichzelf voor de eeuwigheid, want haar leven op aarde loopt ten einde zonder dat zij enige bloeikracht in zich bewaart.

De ziel in de hel heeft zich tijdens haar leven op aarde volledig van Gods Liefde losgerukt, en heeft zichzelf in spiritueel opzicht gedood. De 'dode' ziel is niet meer in staat om iets op te nemen. De Meesteres van alle zielen drukt het zo uit, dat een ziel in staat van verdoeming een ziel is, die in zichzelf de kiem van het Goddelijk Leven heeft gedood. Hoe dit gebeurt, kan worden begrepen wanneer men kijkt naar het eerste wezen dat ooit de eigen kiem van het Goddelijk Leven in zich heeft gedood: Lucifer.

Lucifer was de grootste der aartsengelen. Hij werd op zeker ogenblik gegrepen door hoogmoed en wilde minstens aan God gelijk zijn. Toen God beschikte dat Hij de mens zou scheppen als kroon op Zijn Schepping, werd Lucifer afgunstig en kwam in protest tegen Gods Plan. God vatte het Plan om Zijn Zoon Jezus Christus in de wereld te zenden en Hem als God-Mens geboren te laten worden uit De Vrouw (Maria), en verkondigde aan de engelen dat ook Maria hun Meerdere zou zijn. Lucifer weigerde, ooit voor deze Vrouw te zullen moeten knielen. Lucifer begon zijn eigen verlangens boven deze van God te stellen. Hij begon zichzelf méér lief te hebben dan hij God liefhad. Hierdoor verloor zijn hart de zuivere verbinding met het Hart van God. Lucifer sneed hierdoor zichzelf af van de volmaakte stromen der Goddelijke Liefde, waardoor hij geleidelijk het ware Goddelijk Leven verloor. Hij was hierdoor ook niet langer in staat om de Goddelijke Liefde te laten doorstromen naar de andere engelen toe. Vanaf dat ogenblik zou Lucifer zijn vrije wil volkomen voor zijn eigen belangen gebruiken, niet meer voor de verwezenlijking van Gods Werken. In afwijking van Gods Wet van Liefde stapte hij ervan af, zich in Gods Plannen en Werken te laten inschakelen, en begon hij zijn behoefte aan erkenning en macht voorrang te geven boven de vervulling van de hem toegemeten rol binnen Gods Plannen en Werken. Dit afstappen van de zelfverloochening en van de Liefde voor God en het geheel van de Schepping, en dus leven vanuit de betrachting van het eigenbelang boven alles, is wat wij kennen als 'duisternis'.

Kenmerkend voor de gesteldheden van Lucifer (na zijn verstoting uit de Hemel 'Satan' genoemd) waren dus ongehoorzaamheid jegens Gods Wet, zelfzucht (meer voor zichzelf en de bevrediging van eigen voorstellingen leven dan voor de verwezenlijking van Gods Werken en Plannen), hoogmoed, zelfverheffing, jaloersheid, een alles beheersende behoefte aan macht en erkenning, het afzweren van alle Liefde, en een onbegrensde gedrevenheid om bewust schade en verwoesting toe te brengen aan alle Goddelijke Werken, met inbegrip van de mensenziel en alles wat Leven in zich draagt. Precies deze gesteldheden tracht de satan op alle mensenzielen over te dragen, opdat ook zij alle harmonie met de Goddelijke Wetten zouden verliezen en ook zij, in navolging van de satan zelf, daardoor in staat van ongenade zouden vallen. Talloze mensenzielen vallen veelvuldig voor de nooit ophoudende bekoringen om duisternis in zich wortel te laten schieten.

Wanneer een mensenziel de gesteldheden van de satan waarlijk wortel in zich laat schieten door veelvuldig gevolg te geven aan de bekoringen tot handelingen, gedachten, gevoelens, verlangens en bestrevingen die duisternis in zich dragen, verdoemt zij zichzelf en bereidt zij voor zichzelf daardoor een eeuwig verblijf in de hel. De ziel verdoemt zichzelf door een veelvoud van handelingen, gedachten, gevoelens, verlangens, bestrevingen en innerlijke gesteldheden die niet Gods Werken en Plannen helpen verwezenlijken doch deze schade toebrengen of op zijn minst zijn gericht op de bevrediging van eigen belangen, voorstellingen en verwachtingen in plaats van in dienst te staan van God.

De Hemelse Meesteres zei ooit in een private Openbaring tot Haar Myriam:

"Strijd niet tegen de duisternis, strijd steeds voor het Licht. Hoe meer Licht, dit wil zeggen: hoe meer Ware Liefde je in jezelf kunt ontwikkelen, des te grondiger wordt de duisternis in jou automatisch uitgeroeid. Alleen deze houding kan de ziel van de hel redden. De hel is de zijnstoestand waarin de ziel voor de eeuwigheid terecht komt wanneer zij niet de volhardende wil heeft opgebracht om vruchtbaar te zijn voor Gods Werken. Die vruchtbaarheid wordt uitsluitend bepaald door de mate waarin de ziel Ware Liefde heeft ontwikkeld, zowel jegens al haar medeschepselen als jegens God, Gods Werken en Plannen en Gods Voorzienigheid in haar eigen leven. Dit laatste betekent ook: geen verzet, geen weerstand, geen protest, geen ontevredenheid over wat God in het leven toelaat om de ziel te scherpen in alle deugden. De ziel die slechts alles en nog wat najaagt 'om de hel te ontlopen', is voortdurend met zichzelf bezig: Zij tracht constant haar eigen behoeften met betrekking tot het Eeuwig Leven te bevredigen, en vergeet daardoor, zich volledig in te zetten voor haar medeschepselen en voor Gods Werken. Eigenlijk interesseert haar slechts één ding: 'dat ik toch maar de hel moge ontlopen'. Zij zorgt dus in wezen uitsluitend voor zichzelf en vervult niet haar rol in dienst van Gods Werken".

6. Slotbeschouwing – bewustmaking van de zielen

Wanneer men rekening houdt met het feit dat de mensenziel slechts in de wereld wordt gezonden om een leven te leiden als werktuig voor de verwezenlijking van Gods Werken en van Zijn Heilsplan tot grondvesting van Gods Rijk op aarde, is duidelijk dat de eeuwige bestemming na het leven op aarde volledig wordt bepaald door de mate waarin de ziel gedurende haar hele leven, in alle details van haar levensweg en in al haar innerlijke gesteldheden op elk ogenblik van haar leven, daadwerkelijk deze levensopdracht heeft vervuld.

De Meesteres van alle zielen beklemtoont reeds lange tijd dat de zielen de waarde van hun leven voor Gods Heilsplan in zeer hoge mate kunnen beïnvloeden door veel bewuster te leven, dit wil zeggen: door minder oppervlakkig en mechanisch doorheen de gebeurtenissen en ontwikkelingen van hun leven te gaan. De bewustwording waarover Maria het heeft, heeft in de eerste plaats te maken met een concrete invulling van elk detail van het leven met bewust beleefde Liefde. De Meesteres van alle zielen wijst erop dat vele zielen, ondanks het feit dat zij geen doodzonden hebben begaan die voor hun medemens opvallen, zichzelf voor de eeuwigheid verdoemen door de meest uiteenlopende gewoonten die hen constant doen tekortschieten in de beleving van de Ware Liefde, en dat vele andere zielen om gelijkaardige redenen voor zichzelf een zeer lange louteringstijd in het vagevuur noodzakelijk maken. Het betreft zielen die:

  • in hun hart veelvuldig onvrede koesteren over Gods beschikkingen ten aanzien van hun leven, of zich veelvuldig bezondigen aan jaloersheid of afgunst, als protest tegen de rol, de positie en de eigenschappen en omstandigheden die God voor hen heeft voorzien omdat deze voor hen de weg van het grootste Heil vormen. Laten wij niet uit het oog verliezen dat onvrede van hart de gesteldheid was waaruit in Lucifer het protest tegen God en tegen zijn eigen positie is gegroeid;
  • een leven leiden waarin de bevrediging van eigen behoeften, verlangens en voorstellingen centraal staan;
  • een leven leiden dat in hoge mate is afgestemd op de bevrediging van materiële behoeften en het najagen van materieel gewin in plaats van de bloei van hun spirituele vermogens in dienst van God;
  • veelvuldig tekortschieten in de beleving van de zelfverloochenende Liefde jegens al hun medeschepselen;
  • veelvuldig macht en erkenning najagen, belangrijk willen zijn in de ogen van hun medemens, en/of hoogmoed koesteren in plaats van aan te nemen dat zij door God zijn gemaakt als één klein radertje in een reusachtig netwerk met miljarden knooppunten (alle schepselen);
  • veelvuldig duisternis en negatieve innerlijke gesteldheden koesteren, die vele kanalen van Licht en Liefde naar medeschepselen toe verontreinigen en in medeschepselen het geloof in, en de hoop op, een liefhebbende God ondermijnen. Tot de meest voorkomende bronnen van zelfvernietiging in de ziel behoren aanhoudende gesteldheden van wrok en wraakzucht, die vruchten zijn van innerlijk protest en vaak van een verlangen om te schaden;
  • veelvuldig Werken van God (onder andere medeschepselen, die alle door God zijn gemaakt om hun eigen rol te spelen binnen Zijn Schepping) schaden of medeschepselen op welke wijze dan ook ontwaardigen;
  • een leven leiden met een eigen voorstellingswereld en eigen wetten, in plaats van zich totaal en onvoorwaardelijk in dienst te stellen van Gods Schepping, teneinde hun levensopdracht als behoedsters van de Schepping in vertegenwoordiging van God en als spiegels van God naar hun medeschepselen toe, te vervullen;
  • de gewoonte koesteren om tegen alle beproevingen en kruisen van hun leven te protesteren of er onvrede over te koesteren, zodat zij niet 'aanvullen wat aan het Lijden van Christus ontbreekt', met andere woorden: de effecten van de Verlossingswerken van Christus niet via een liefdevolle aanvaarding en toewijding van hun eigen kruisen in hun eigen leven tot vrucht brengen en daardoor verzuimen, deze effecten waarlijk zelf te 'ontsluiten'. God verwacht dit van elke ziel, want Hij laat de effecten van al Zijn Werken bepalen door de mate waarin mensenzielen actief aan deze effecten meewerken;
  • zich in de kern van hun hart niet richten op de verwezenlijking van Gods Werken, en wier leven daardoor geen vruchten opbrengt voor de voltooiing van Zijn Heilsplan. Hieronder vallen ook de zielen die hun leven leiden in berekening, die bijvoorbeeld menen dat zij de Hemel zouden verdienen door louter Sacramenten op te stapelen zonder dat hun hart gericht is op bloei in de concreet toegepaste, zelfverloochenende Liefde. Zelfs een herhaalde levensbiecht kan niet met zekerheid de verdoeming afwenden indien de Biecht niet gepaard gaat met een oprechte inzet om radicaal alle duisternis uit zich te verbannen want de biechteling heeft dan gebiecht uit berekening en in de verwachting, daardoor de Eeuwige Gelukzaligheid te verdienen en niet wegens een oprecht verlangen om zich met God te verzoenen;

Leven in berekening vormt een zodanig gevaarlijke zelfmisleiding, dat de Meesteres van alle zielen hierover tot Myriam de volgende woorden sprak:

"Elke mensenziel is ertoe geroepen, God en Zijn gesteldheden van volmaakte Liefde te vertegenwoordigen naar al haar medeschepselen toe.

In waarheid zeg Ik je, dat één van de grootste blamages die een mensenziel God kan aandoen, bestaat uit een houding van berekening. Berekening is de gesteldheid waarbij een ziel niet spontaan volgens de Wet van de Goddelijke Liefde leeft, doch al haar doen en laten oriënteert op het voordeel of nadeel dat zij van haar handelingen en bestrevingen verwacht voor haar eigen leven en voor de vervulling van haar eigen (vermeende) behoeften. Berekening is daarom een vrucht van de zelfzucht, en derhalve lijnrecht tegengesteld aan de gesteldheid van dienstbaarheid jegens Gods Werken en Plannen. Bijgevolg is berekening bij uitstek de gesteldheid die verhindert dat een mensenziel de opdracht en roeping vervult, die God haar voor haar leven op aarde heeft meegegeven. Berekening scheidt dus de ziel van God af, spoort haar ertoe aan om volkomen eigen wegen te gaan die niet door God zijn bedoeld en die geen enkele vrucht opleveren voor Zijn Werken, en zorgt er derhalve voor, dat de ziel in het uur van haar oordeel zonder één enkele verdienste voor God staat.

Wanneer de gesteldheid van berekening sterk uitgesproken werkzaam is, zien wij een mensenziel die in haar van God gekregen waardigheid zo zwaar is afgetakeld, en die zich zo drastisch van Gods Wet heeft verwijderd, dat zij zodanig terminaal verslaafd is aan de duisternis in al haar doen en laten en in al haar innerlijke gesteldheden, dat zij, indien zij kennis mocht krijgen van haar stervensuur, zij tot de voorlaatste dag van haar leven ongebreideld haar duistere gedachten, gevoelens, verlangens en bestrevingen zou blijven uitwerken, op de laatste dag een levensbiecht zou spreken, en er dan van overtuigd zou zijn dat zij volkomen schuldenvrij voor God kan verschijnen.

In waarheid zeg Ik, dat een dergelijke ziel, ondanks de levensbiecht in haar laatste levensuren, door God veroordeeld zal worden wegens haar gesteldheid van berekening, en zij van de Goddelijke Rechter als motivatie voor het levensoordeel zou vernemen:

'Je hebt een leven lang jezelf gediend, niet Mij.
Je hebt geleefd voor de bevrediging van wat je beschouwde als eigen behoeften, niet vanuit het verlangen dat de Wet van de Ware Liefde zou worden verheerlijkt en dat de behoeften van de Eeuwige Liefde mede via jouw inzet vervuld zouden mogen worden.
Je hebt geleefd in de betrachting dat je slechts dingen zou ervaren die je in je vergankelijke stoffelijke natuur als aangenaam zou ervaren, niet in de betrachting om via spontane zelfverloochening elke ervaring op je levensweg te omhelzen in eenheid met, en in de hartsgesteldheid van, de Kruis dragende Christus, Mijn Zoon Die uit Liefde tot jouw Eeuwig Heil geen smaad en geen leed heeft geschuwd.
Je hebt geleefd voor je stoffelijke natuur, niet voor het Eeuwig Leven'.

Deze ziel verandert dan slechts van gesteldheid in de verwachting en hoop dat zij de oordelende God zou kunnen overtuigen van haar wil om het goede te doen. Haar hart heeft nooit de intentie om zichzelf te verloochenen en de Wet van de Ware Liefde te vervullen. Zelfs het schijnbaar goede van haar gesteldheden in haar laatste levensuren is een uiting van onvervalste zelfzucht, die bovendien zichzelf tracht te verbergen door misleiding van haar leefomgeving en zelfs van God Zelf".

Indien wij de mensenziel beschouwen als een tuin, kunnen wij het zo zien, dat God elke zielenbodem voorziet van Zijn Groei- en Bloeiwetten, en dat de ziel op haar levensreis zowel het bij haar tuin passend zaad alsook de nuttige hoeveelheden zon (Gods Liefde), wind (Gods Wijsheid en de beschikkingen van Zijn Voorzienigheid) en regenwater (beproevingen) krijgt. De levensopdracht van de ziel luidt, gedurende de haar toegemeten tijd op aarde haar tuin zodanig te bewerken dat dit alles samen bloemen, koren en vruchten kan opleveren voor Gods Rijk op aarde. De werktuigen om de grond te bewerken, zijn de diverse uitingen van bewust beleefde Ware Liefde. Zo bereidt de ziel reeds de tuin voor, die zij in het uur van haar levensoordeel toebedeeld zal krijgen. De betrachting moet zijn, een zo rijk mogelijke oogst voort te brengen. Bij veelvuldig tekortschieten in de beleving van de Ware Liefde zal de ziel in het uur van haar oordeel voor Gods Troon verschijnen als een steppe met verlaagde vruchtbaarheid, of zelfs als een woestijn indien zij alle Leven in zich heeft verstikt door de Liefde, die draagster is van alle Leven, te verwaarlozen. De ziel kan zich in haar bodembewerking laten bijstaan door de Koningin des Hemels via een vurig beleefd verbond van toewijding aan Haar. Uiteindelijk echter, zal het gebruik van de vrije wil van de ziel zelf doorslaggevend zijn voor de gesteldheid van de tuin die zij in het uur van haar levensoordeel aan haar God en Rechter terug zal geven.

Myriam, Kersttijd 2018