TOTUS TUUS, MARIA!

HET MESSIAANS TIJDPERK

Diepe aansporing en dringende oproep
vanwege de Allerheiligste Maagd Maria
voor de bespoediging van de volmaakte beleving
van de Goddelijke Wet vanwege de mensenzielen
jegens al hun medeschepselen

via Myriam van Nazareth

Het Messiaans Tijdperk is de tijd van de voltooiing van Gods Heilsplan. Gods Heilsplan is het Plan van God dat hieruit bestaat, dat alle zielen de kans krijgen om zich te heiligen en daardoor, ondanks de erfzonde, de Eeuwige Gelukzaligheid te verwerven en ieder op zich bij te dragen tot het verheffen van de hele mensheid naar een steeds hoger niveau van Heil. De verwezenlijking van Gods Heilsplan kunnen wij hierbij concreet verstaan als het geheel van Gods Werken op aarde, die Hij bij voorkeur via mensenzielen maar eveneens door rechtstreekse tussenkomst van Zijn Voorzienigheid en van de inspiraties van de Heilige Geest zoekt te volbrengen tot voltooiing van Zijn Plan tot grondvesting van Gods Rijk op aarde. Het betreft daarom het geheel van alle Goddelijke Werken tot grondvesting van het Rijk Gods in de zielen.

Maria, de Koningin van Hemel en aarde, Moeder van de Messias Jezus Christus en Meesteres van alle zielen bij Goddelijke uitverkiezing, definieert het Messiaans Tijdperk als volgt:

"Wanneer Ik spreek over het Messiaans Tijdperk, bedoel Ik het tijdperk dat zal beginnen met de grondvesting van Gods Rijk van volmaakte Liefde en Vrede tussen alle schepselen op aarde. Het is het tijdperk in hetwelk de gesteldheden en de leerstellingen van de Christus, de Messias en Zoon van God, hun volle verwezenlijking zullen vinden in de mensenzielen, waardoor de zielen zonder enige belemmering de Ware Liefde van God Zelf tegenwoordig zullen stellen jegens al hun medeschepselen, dit alles doordat alle kwaad, alle duisternis en alle effecten van de werken en plannen der duisternis van alle eeuwen ongedaan zullen zijn gemaakt in de almacht van de Goddelijke Liefde, die in de mate waarin zij zich kan uitwerken, de volheid van het Leven brengt en daardoor alles ontkracht dat ziekte, ontsporing en dood in de Schepping heeft gebracht.

Het Messiaans Tijdperk is aldus de uitdrukking van de volheid van Gods Tijd voor de vervulling van Zijn Wet van de zelfverloochenende Liefde tussen alle schepselen zonder enig onderscheid of uitzondering. Het is het tijdperk van de volmaakte Vrede, omdat de volheid van de Vrede in wezen de verwezenlijking is van de volmaakte Vrede van hart, de gesteldheid van onverstoorbare beleving en toepassing van de volmaakte Liefde zoals deze in de volheid leefde in de Christus, de Messias van God. Het is tevens het tijdperk van de volmaakte gerechtigheid, doordat de Goddelijke Wetten die de volmaakte harmonie in de Schepping hadden ingesteld, hun volmaakte vervulling zullen hebben gekregen en daardoor elke ontsporing, elke ontregeling en elk onevenwicht binnen de Schepping alsook binnenin elk schepsel zullen zijn opgeheven doordat de volkomen uitwerking van de Goddelijke Wetten elke verdere afwijking van het Goddelijk Leven in de Schepping onmogelijk maakt". (Meesteres van alle zielen, april 2020)

Bij herhaling reeds wees de Koningin van Hemel en aarde op het feit dat het begin van het Messiaans Tijdperk niet berust op een Goddelijke Beschikking doch op de mate waarin de mensenzielen, door God voorzien als kroon op de Schepping, elk detail van hun leven in al hun doen en laten, al hun woorden, gedachten, gevoelens en bestrevingen leiden vanuit het oprecht verlangen om actief, spontaan, vrijwillig en volhardend de zelfverloochenende Liefde te beleven jegens al hun medeschepselen (medemensen en dieren, en zelfs het natuurlijk leefmilieu). Hoe méér mensenzielen hun leven leiden en al hun medeschepselen benaderen vanuit deze gesteldheid, des te méér kan het Licht van de Ware Liefde doorheen het netwerk van de Schepping stromen en in dat netwerk (dat bestaat uit alle schepselen als knooppunten en alle onderlinge relaties en contacten tussen schepselen als onderlinge verbindingen tussen de knooppunten) alle duisternis verdrijven.

De duisternis is in het netwerk van de Schepping gekomen door de erfzonde van de eerste mensenzielen, en verder vergroot door elke verdere zonde. Sedert de erfzonde hebben miljarden mensenzielen de aarde bewoond, en ieder van hen – met uitzondering van de Christus als Mens geworden Zoon van God, en van Maria, de onbevlekt ontvangen Moeder van de Christus – heeft in de loop van haar leven op aarde een bepaald aantal zonden bedreven en bepaalde ondeugden in stand gehouden. Een zonde is elke overtreding tegen Gods Wet van de Ware Liefde. Een ondeugd is elke gesteldheid of handeling die de vruchtbaarheid van de ziel voor Gods Werken en voor het Goddelijk Heilsplan vermindert.

Een groot aantal van die overtredingen voltrekt zich in de niet-waarneembare sfeer van de innerlijke gesteldheden (gedachten, gevoelens, verlangens, innerlijke houding jegens elk detail van het leven en alle invloeden uit de wereld). Al deze overtredingen samen – in de loop van de geschiedenis van de Schepping gaat het om biljoenen, waarbij men goed moet beseffen dat 1 biljoen = 1 miljoen maal 1 miljoen, of = duizend maal 1 miljard – hebben het netwerk van de Schepping zeer zwaar ontregeld en verduisterd, en hebben immens veel chaos, leed, ellende en ongerechtigheid in en tussen alle schepselen met zich meegebracht. Dit alles moet een immens tegengewicht krijgen, dat uitsluitend kan worden bereid door miljarden handelingen, woorden, gedachten, gevoelens en verlangens vervuld van oprechte zelfverloochenende Liefde, gericht op het welzijn van alle medeschepselen, wat immense krachten van herstel en genezing doorheen het hele netwerk van de Schepping zou opwekken, en in en tussen alle schepselen een diepe Vrede tot bloei zou brengen.

De Koningin des Hemels wees erop, dat naarmate de mensheid duidelijke tekenen zou stellen van de oprechte wil om steeds consequenter de Wet van de Ware Liefde te beleven in al haar relaties en contacten van mensenzielen jegens alle medeschepselen (medemensen én dieren), de Goddelijke Barmhartigheid op méér voelbare wijze de Goddelijke Genade in de Schepping in werking zou kunnen stellen, en dat precies op grond van dit verbond tussen de mensenzielen en hun Schepper de Schepping zou kunnen worden teruggevoerd naar de staat van vóór de erfzonde, de heilige staat zonder enig effect van duisternis. Daarom kan het Messiaans Tijdperk worden beschouwd als de totale omkering van de effecten die door de erfzonde in de Schepping zijn gebracht.

De Moeder Gods heeft van God de Missie ontvangen om in deze Laatste Tijden – de tijd van de laatste voorbereiding op de grondvesting van Gods Rijk, het Messiaans Tijdperk, op aarde – de mensenzielen te onderrichten in de Wetenschap van het Goddelijk Leven, opdat hun inzichten in de ware noden van de ziel, in de weg naar de heiliging van de ziel, en in de strategieën van de duisternis om deze heiliging onmogelijk te maken en daardoor de wereld in een rijk van duisternis te veranderen, hen in staat zouden stellen om vanuit een diep begrip voor de ware zin en bedoeling van Gods Wet met Vuur te strijden voor Gods Plannen en Werken en tegen alle plannen en werken der duisternis.

Maria wil deze verdieping bekomen door de zielen ook te wijzen op terreinen van gedragingen, reacties en innerlijke gesteldheden die zeer vaak niet ten volle worden begrepen of die ronduit worden verwaarloosd. Een immens groot terrein van gedragingen, reacties en relaties betreft deze van de mensenzielen jegens de dieren. Dagelijks voltrekken zich wereldwijd miljarden contacten tussen mensenzielen en dieren. Slechts zeer zelden beseffen de betrokken mensenzielen de immens grote betekenis van al deze contacten voor de gezondheid van het netwerk van de Schepping. Onvoorstelbaar reusachtige wolken van duisternis worden dagelijks in het netwerk van de Schepping geïnjecteerd door contacten in dewelke mensenzielen met dieren omgaan in gesteldheden van duisternis door gebrek aan oprechte Liefde en inleving.

De Hemelse Koningin benadrukt, welke onvoorstelbare lichtkracht doorheen de Schepping zou worden gestuurd naarmate steeds méér van de contacten vanwege de mensenzielen jegens dieren zouden worden vervuld van oprechte Liefde en inleving. Precies om deze reden spreekt Zij sedert jaren geregeld tot Myriam over de enorme betekenis van de wijze en gesteldheid waarop mensenzielen met dieren omgaan. Sommige zielen hebben blijk gegeven van het feit, dit niet te begrijpen, sommigen hebben er zelfs kritiek op geuit, nog anderen hebben tot uitdrukking gebracht, niet te kunnen geloven "dat de Hemel zich daarmee zou bezig houden". De Hemelse Koningin betreurt zeer diep dat al deze zielen, die nochtans als mensenziel van God de kiem van de heiligheid hebben gekregen, blijkbaar het vermogen hebben verloren om Gods Plannen, Zijn bedoelingen, Zijn Werken en Zijn Wet ten volle aan te voelen. Hun houding helpt de komst van het Messiaans Tijdperk uitstellen, want deze houding stelt grenzen aan de beoefening van de Liefde, die de essentie is van de kracht van het Goddelijk Leven en daardoor het enige zaad waaruit Gods Rijk van Ware Liefde, Ware Vrede en gerechtigheid op aarde kan opbloeien, het Rijk waarin alle onkruid van chaos, ellende, onveiligheid, leed, duisternis en ongerechtigheid zal zijn gedood in het Vuur van de Liefde. Het Vuur dat dit moet bewerken, zal nooit het hele netwerk van de Schepping doorstralen en zuiveren indien niet alle contacten jegens allen medeschepselen (met inbegrip van alle dieren) volkomen van de zelfverloochenende Liefde zijn doordrongen, en wel vrijwillig vanwege steeds grotere aantallen mensenzielen.

De Moeder van de Messias zei ooit aan Myriam: "Het ware Messiaanse Tijdperk is dat van de gelouterde zielen, die samen een zodanig krachtige ketting van Licht en van heilige verlangens ontwikkelen dat God Zijn Geest over de zielen begint uit te storten met een waar sneeuwbaleffect, zoals golven van heiligende Genaden die over de zielen zullen rollen en het Licht op aarde steeds intenser laten schitteren, tot Jezus en Ikzelf volkomen heersen in een voldoende groot aantal zielen om Gods Rijk daadwerkelijk af te kondigen".

Naarmate méér mensenzielen méér details van hun leven doorbrengen in overeenstemming met Gods Wil en Wet, en deze details actief, vrijwillig en bewust opdragen voor de bevordering van de voltooiing van Gods Werken in de Schepping, kan de Schepping dichter naderen tot het ideaal dat God Zich voor haar had gesteld (een heilige Schepping, dit wil zeggen een Schepping die volkomen is doordrongen van Ware Liefde en volmaakte Vrede tussen alle schepselen), en tot het doel dat Hij Zich voor Zijn Schepping had gesteld: de terugkeer ervan naar de staat die Hij aanvankelijk had ingesteld in het Aards Paradijs. Deze terugkeer is niets minder dan wat ook wel wordt aangeduid als 'Messiaans Tijdperk'. De Hemelse Koningin verklaart het begrip 'Messiaans Tijdperk' daarom ook als de staat waarin het systeem van de Schepping blijk geeft van de verwezenlijking van de doelstelling waartoe God Zijn Messias Jezus Christus in de wereld heeft gezonden: de Verlossing van de zielen uit de onherroepelijke greep van de duisternis op hun Eeuwige Bestemming, die ligt besloten in de Eeuwige Gelukzaligheid van de Hemel doch die door de erfzonde, de eerste overtreding van de mensenziel tegen Gods Wet, onmogelijk was geworden.

De verwezenlijking van het 'Messiaans Tijdperk' in de Schepping is niets anders dan de grondvesting van Gods Rijk op aarde, een staat van Leven waarin de schepselen spontaan een toestand zullen ervaren die in zekere zin vergelijkbaar is met de zijnstoestand van de Hemel, doordat Gods Wet van de Ware Liefde in de volheid spontaan en vrijwillig wordt beleefd, zodat de mensenziel ten volle beantwoordt aan de doelstelling waartoe de mens oorspronkelijk was geroepen: leven met een zodanige uitstraling vanuit de kern van zijn wezen, dat hij spontaan in staat is om Gods Tegenwoordigheid voelbaar te maken jegens de hele Schepping buiten zichzelf. In een dergelijke gesteldheid zou de mensenziel in de volheid beantwoorden aan de missie die haar van in den beginne was toevertrouwd: dat zij Gods Liefde volkomen onbelemmerd, onvoorwaardelijk en volmaakt zuiver zou laten doorstromen naar al haar medeschepselen toe. Een systeem van mensenzielen die volkomen aan deze Goddelijke verwachting zou beantwoorden, zou in spiritueel opzicht vergelijkbaar zijn met een volmaakt rozenparadijs.

Het Messiaans Tijdperk kan daarom worden beschouwd als de wederkomst van het Aards Paradijs in de mensenzielen, doordat deze zich door bewuste en gewilde eigen inzet totaal geven voor de verwezenlijking van Gods verlangen in zichzelf. Het Messiaans Tijdperk is in wezen de wedergeboorte van de mensenziel als Gods beeld en gelijkenis, zoals zij bij haar schepping was bedoeld. Het is goed, er op deze plaats op te wijzen dat de Heilige Maagd, de levenslang volmaakt zondeloze Onbevlekte Ontvangenis, de Koningin van Hemel en aarde en Meesteres van alle zielen, Zich op kracht van een Goddelijke Beschikking ooit aankondigde als "het wedergeboren Aards Paradijs". Dit drukt tevens volmaakt uit, dat de Ziel van Maria steeds ten volle de zijnstoestand van het Messiaans Tijdperk heeft beleefd.

Reeds in 2011 gaf de Heilige Maagd via Myriam de buitengewone inspiratie van Haar manifest De Beekjes van het Heil, waarin Zij in wezen reeds eerste diepe motiveringen liet optekenen voor de ideale omgang met dieren die de mensheid naar het Messiaans Tijdperk kan leiden. Zij liet eveneens in antwoordbrieven aan individuele zielen stellingen formuleren met de bedoeling, deze zielen te helpen bij de zuivering van hun omgang met dieren, opdat deze omgang beter dienstbaar zou worden voor de verwezenlijking van Gods Plannen en Werken. Alle antwoordbrieven werden geschreven op uitsluitende inspiratie en dictaat vanwege de Meesteres van alle zielen. Daarom gelden de stellingen die in antwoordbrieven werden opgetekend in verband met omgang met dieren, ten volle als Hemelse stellingen. In opdracht van de Moeder Gods worden daarom in deze rubriek enkele van deze stellingen opgenomen, ter ondersteuning van de zielen die zich oprecht willen inzetten om het diepste verlangen van hun God en Schepper te helpen waarmaken: dat het Messiaans Tijdperk in Zijn Schepping geboren moge worden, en de mensenzielen evenals al hun medeschepselen hun oorspronkelijke waardigheid terug mogen krijgen door een onderlinge omgang in volmaakte Liefde en Vrede.

De Hemelse Koningin wil op deze plaats uitdrukkelijk op een aantal treffende passages uit antwoordbrieven wijzen. De antwoordbrieven werden tussen 2008 en 2013 geschreven aan individuele zielen die hierin bepaalde vragen rechtstreeks door de Heilige Maagd beantwoord kregen. De hieronder aangehaalde passages hebben betrekking op de rol van dieren in de spirituele vorming van de mensenzielen en op de omgang van mensenzielen met dieren. Zij zijn in wezen Hemelse getuigenissen in verband met de Ware Liefde, en passen daardoor volkomen in het kader van de Werken van de Meesteres van alle zielen tot vorming van mensenzielen voor het inluiden van het Messiaans Tijdperk in de Schepping. Op grond van de oorsprong van elke antwoordbrief gelden al deze passages als Hemelse stellingnamen. Myriam borgt met de eigen ziel voor de authentiek Hemelse Bron van al deze woorden.

In deze tekst worden deze passages in de eerste plaats aangeboden als materiaal voor diepe beschouwing. Het is goed, zich voor ogen te houden dat het daarbij gaat om verdieping in de zelfverloochenende Liefde en bepaalde tekenen die God stelt om mensenzielen tot vervolmaking in deze Liefde te brengen.

De hierna aangehaalde Hemelse stellingen betreffende de volgende thema’s:

    1. Dieren binnen het systeem van de Schepping
    2. Bestaansredenen voor de dieren
    3. Basisregels voor de omgang met dieren
    4. Dieren als getuigen bij God voor de gesteldheid van de mensenziel
    5. Dieren als spirituele vormingskanalen en geneesmiddelen
    6. Onverschilligheid over de omgang met dieren
    7. God voelt alles van elk schepsel, ook van elk dier
    8. Spirituele betekenis van dierenleed
    9. In verband met de dood van een geliefd dier
  10. Hemelse stelling over het doden van dieren


1. Dieren binnen het systeem van de Schepping

"Bekijkt U eens het systeem van de Schepping als geheel. Op aarde leven miljarden levende wezens, met dit ene doel (beschouwd vanuit Gods ogen): Gods Schepping, die door de zondigheid van mensenzielen zwaar in onevenwicht is gebracht, naar een nieuw evenwicht op een hoger niveau van genade te brengen. Te dien einde brengt Zijn onfeilbare Voorzienigheid schepselen (mensen en dieren) bij elkaar, opdat zij elkaar zouden 'onderrichten' via hun wijze van zijn.

Een dier kan niet zondigen, het heeft geen ziel in de enge zin van het woord (Maria betitelt de wezenskern van een dier als 'het levensprincipe') en het levert geen rechtstreekse bijdragen tot het Goddelijk Heilsplan, maar levert niettemin absoluut ontelbare onrechtstreekse bijdragen tot dit Plan, en wel door zijn relaties tot de mensen en via de invloeden die het op diverse wijzen op het gedrag van mensenzielen kan hebben. (...)"


2. Bestaansredenen voor de dieren

"De dieren zijn door God hoofdzakelijk om twee redenen geschapen:

  1. Om de mensenzielen te verheugen door hun hele wijze van zijn, in hun oneindige verscheidenheid en hun ontelbare prachtige kenmerken en eigenheden. Elk van deze elementen heeft binnen Gods Heilsplan een diepe betekenis, die zijn oorsprong vindt in de Goddelijke Wijsheid;
  2. Als componenten van een volmaakt Goddelijk systeem, dat Gods Plannen en daardoor het menselijk Geluk slechts dient indien het in het door God beoogde evenwicht wordt gehouden. Deze rol vervullen de dieren vooral in hun hoedanigheid als knooppunten in het net van de Goddelijke Liefde dat de hele Schepping omvat. Dieren zijn buitengewone doorgevers van Liefde, en kunnen daardoor de zielen veel Vrede en genezing brengen".


3. Basisregels voor de omgang met dieren

"God heeft ontelbare diersoorten geschapen. De mens kent zelfs nu nog niet elke soort. Alles wat door God is geschapen, heeft een welomlijnde rol binnen het geheel te vervullen. Om deze reden behoort de mensenziel, die – dat mogen wij nooit vergeten – door God als Zijn vertegenwoordigster naar de Schepping toe is bedoeld, zich in de omgang met de dieren naar twee grondregels richten. Ik verwoord nu, zoals steeds, de stelling en visie van de Moeder Gods:

  1. Elke mensenziel geldt jegens de dieren als vertegenwoordigster van God. Dit betekent dat zij in haar omgang met elk dier Gods eigenschappen tot uitdrukking moet brengen: volmaakte en onvoorwaardelijke Liefde, zachtheid, verdraagzaamheid, geduld, tederheid, zorgzaamheid, en in principe alle deugden.
  2. God blijft de Meester van Zijn Schepping. De mensenziel is beheerder. In principe bezit zij de dieren niet, zij mag over hen beschikken, en wel uitsluitend zoals het bij Gods bedoelingen past, dit wil zeggen, met het oog op de verwezenlijking van Zijn Heilsplan. Dit betekent concreet, dat de mensenziel niet over het leven van een levend wezen behoort te beschikken en het geen leed of schade onder om het even welke vorm mag toebrengen. In elk geval waarin een mensenziel een dier doodt, is God alleen Rechter over de hartsgesteldheid vanuit dewelke deze handeling is gesteld. In elk geval waarin een mensenziel een dier leed berokkent, wordt zij eveneens door God geoordeeld, die de bijdrage van elke ziel tot Zijn Werken afmeet volgens de mate van Liefde die deze ziel bij elke handeling, in elk woord, in elk gevoel en in elke gedachte heeft opgebracht of heeft nagelaten, of zelfs heeft verloochend.

Toen de zonde in de Schepping kwam – waarvoor overigens de mensenziel verantwoordelijk is, niet de dieren of de planten – werden de relaties tussen de diverse levensvormen volledig verwrongen, omdat de zonde de tegenpool is van de Liefde, en de Liefde de brandstof van alle leven. Door elke zonde die de mensenzielen bedrijven, wordt als het ware een lek geslagen in het systeem van de Schepping, door hetwelk een bepaalde hoeveelheid Liefde wegvloeit. Dit eeuwenlang en massaal verlies aan Liefde is ervoor verantwoordelijk dat de wederzijdse relaties tussen de levende wezens en tussen de soorten volledig verwrongen is geraakt. Precies daaruit zijn de toestanden tussen de wilde dieren, tussen de soorten onderling, en de schuwheid van de dieren naar de mens toe, evenals de roofzucht in de natuur, enzovoort, ontstaan: God heeft die toestanden niet geschapen, de zonde heeft hen opgewekt! (...)

Elk middel dat een dier leed berokkend of waardoor het wordt gedood, wijst de Koningin des Hemels met klem af, en wel steeds om dezelfde louter spirituele reden: Vanwege het feit dat het dier een rol moet vervullen, enkel en alleen God over de duur van deze rol beslist, en de mensenziel aan het dier onvoorwaardelijke Liefde en respect is verschuldigd.

In dezelfde zin heeft de Meesteres mij reeds diverse gedragspatronen in de omgang met dieren geleerd, en één van de gevolgen van deze 'vorming' was deze, dat ik een steeds toenemende gevoeligheid en inleving tegenover het diepere wezen van vele dieren als kanalen van Gods Liefdesstroom mocht ontwikkelen. Op grond van deze ontwikkeling verkreeg ik het voorrecht, onder vele omstandigheden het hart van een dier in mijn nabijheid haarfijn aan te voelen. Een dergelijke gewaarwording vermeerdert de Liefde tot God in het eigen hart in een onbeschrijflijke mate: Een waarlijk overweldigende ervaring, die de ziel tot het bewustzijn brengt, dat de dieren een geweldig onderschat geschenk van God aan de mensenzielen zijn.

Wij mogen nooit uit het oog verliezen dat elk individueel dier door God is geschapen omdat het een zeer specifieke rol moet vervullen. Het komt de mensenziel niet toe, erover te beslissen, wanneer voor een specifiek dier het leven moet eindigen. De Meesteres van alle zielen verzekerde mij privaat reeds herhaaldelijk:

Mochten veel meer zielen een veel groter respect voor de dieren opbrengen, dan zou reeds alleen daardoor de berg van ellende op de wereld in aanzienlijk mate verminderen.

Dat is ook logisch: De omgang met de dieren is door zo veel gebrek aan Liefde getekend, dat op dit domein alleen reeds kan gesproken worden over ontelbare zwarte gaten in de Liefdesstroom. Elke dag voltrekken zich op deze wereld miljarden contacten tussen mensen en dieren. In een overgroot gedeelte daarvan heerst in uiteenlopende mate een gebrek aan Liefde".


4. Dieren als getuigen bij God voor de gesteldheid van de mensenziel

"God laat niets verloren gaan. Ook de dieren leven niet zomaar. Zegt ook de Meesteres van alle zielen niet, dat de levenskiem van een dier na de dood naar God terugkeert, bekleed met de Liefde die, en alle leed dat, het vanwege mensenzielen te beurt is gevallen? Hierdoor leggen ook de dieren bij Gods troon getuigenis af van ons gedrag jegens hen, en derhalve van de gesteld-heid van onze ziel".

In de onderrichting Het leven voorbij de avondzon liet de Koningin des Hemels optekenen:

"Voor God als Rechter blijft bij het levensoordeel niets verborgen. Zelfs elk dier dat sterft, keert in Gods Hart terug, en het levensprincipe van het gestorven dier is voor God als een open boek: In dit levensprincipe ligt als het ware de film van zijn voorbije leven. Alles wat dit dier heeft meegemaakt en gevoeld met betrekking tot mensen met wie het in contact is geweest, al was het zelfs slechts een seconde lang, en alles wat het in het verborgene heeft opgevangen aan gedachten of gevoelens van mensen, dat alles ligt in het levensprincipe van dit dier opgeslagen. Is een dier bijvoorbeeld door een mens mishandeld, dan staat deze mishandeling in zijn levensprincipe afgedrukt, samen met de bron door dewelke het deze mishandeling heeft geleden.

Zo getuigt een dier dat is mishandeld of op welke andere wijze dan ook door toedoen van een mens de dood heeft gevonden op een ogenblik en een wijze die niet door God waren beschikt, zonder woorden van alles wat het heeft meegemaakt én van de naam of namen van de schuldige(n). Deze informatie wordt door God in het levensboek van de betreffende mensenziel(en) ingeschreven, die tijdens hun eigen levensoordeel hiermee zullen worden geconfronteerd in de mate waarin zij hun zonde niet oprecht en rouwmoedig hebben gebiecht én door vlekkeloze Liefde hebben goedgemaakt".

Door deze openbaring onderstreepte de Koningin des Hemels tevens het feit dat ook de wijze waarop een mensenziel omgaat met dieren, een rol speelt bij de beoordeling van de mate waarin deze ziel al dan niet de Ware Liefde heeft beleefd, en dat ook tekorten aan Liefde jegens dieren voor God gelden als uitdrukkelijke inbreuken op Gods Levensplan voor de hele Schepping. Een gestorven dier legt op dezelfde wijze ook zonder woorden getuigenis af van alle goeds, alle Liefde, die het van mensenzielen heeft ontvangen, met inbegrip van de namen van zijn weldoeners.


5. Dieren als spirituele vormingskanalen en geneesmiddelen

"Dieren zijn prachtige 'verbindingsagenten' van de Goddelijke Liefde. Heel vaak bevorderen dieren de gezonde groei van een kind en helpen zij het bij de ontplooiing van diverse deugden: Liefde, geduld, zorgzaamheid, zelfverloochening ten gunste van een medeschepsel, en zij leren het kind wat het betekent, met een medeschepsel om te gaan, en dat elk schepsel gevoelens en een eigen waarde heeft en zeer specifieke gedragspatronen vertoont die het van Gods Wijsheid en Intelligentie heeft ontvangen. (...) Dieren kunnen zeer zorgzaam en beschermend blijken ten aanzien van kinderen. (...)

Een hond heeft niet slechts behoefte aan voldoende voeding, doch eveneens aan oprechte Liefde, begrip, zachte omgang, om zo te zeggen 'respect voor zijn eigen geaardheid'. Gelooft U mij, de meeste dieren 'hebben daarvoor een goede neus': Zij doorgronden het hart van de mens vaak veel sneller dan omgekeerd. Dit vermogen ontwikkelt het dier op grond van zijn openheid voor Gods werkingen. Dieren zijn meestal veel ontvankelijker voor Gods werkingen dan de gemiddelde mensenziel. Ooit vertrouwde Maria mij toe dat elk mens van kindsbeen af de gelegenheid zou moeten krijgen om te leren dat God van elke mensenziel verwacht dat zij Hem (de Schepper) tegenover alle medeschepselen kan vertegenwoordigen, en dat de mensenziel dit niet slechts jegens haar medemensen, doch eveneens jegens de dieren daadwerkelijk moet leren toepassen. God vertegenwoordigen jegens elk medeschepsel (dus ook jegens elk dier), betekent: In de omgang met het medeschepsel zo zijn, dat dit laatste het gevoel krijgt dat God in de ander tegenwoordig en ten volle werkzaam is. Om dit te kunnen, moet de ziel Liefde, Licht, blijmoedigheid, zachtmoedigheid, geborgenheid, innerlijke Vrede, geduld en begrip om zich heen uitstralen. Het is zeer belangrijk dat het kind dit reeds leert, en in de omgang met dieren kan het kind op dit gebied op zeer waardevolle wijze worden gevormd".

In verband met de rol van dieren als spirituele geneesmiddelen dicteerde de Hemelse Koningin ooit in een antwoordbrief:

"Dieren zijn vaak veel ontvankelijker voor gevoelens en onzichtbare krachten dan wij, mensen. Diverse niet met het verstand te verklaren ervaringen hebben mij in mijn eigen leven bewezen dat de Goddelijke Voorzienigheid steeds weer op het juiste tijdstip een dier op onze weg brengt om ons te helpen, gevoelsblokkades te doorbreken en in de ziel ervaringen van Liefde te wekken met een diepgang die wij nauwelijks ooit hebben mogen voelen.

In het kader van de Wetenschap van het Goddelijk Leven kan dit fenomeen verklaard worden. Wanneer wij de Meesteres van alle zielen de vraag stellen, met welk doel God de dieren dan wel heeft geschapen, geeft Zij ons het volgende antwoord:

  1. Omdat het God welgevallig was, een grote verscheidenheid aan levensvormen te scheppen;
  2. Omdat God de mensenziel zo zeer liefheeft, dat Hij haar de ontmoeting met wezens van de meest uiteenlopende soort wilde laten ervaren. Hij heeft elk levend wezen als onderdeeltje van een reusachtige ketting van leven voorzien, en heeft elk wezen voorzien van de meest uiteenlopende vermogens om Liefde in zich op te nemen en deze door te geven. God heeft de dieren voor de mensenziel als geschenken van Liefde geschapen, als wezens die in staat zijn, Liefde te ervaren – al naar gelang de soort is dit vermogen sterker of minder nadrukkelijk aanwezig – en Gods Liefde te laten doorstromen.

Daartoe heeft God het ook zo beschikt dat er diersoorten zouden zijn, die buitengewoon geschikt zijn voor een samenleven met de mensenzielen. Deze diersoorten heeft Hij van gedragspatronen voorzien, door dewelke zij kunnen bijdragen tot de ontplooiing van de deugdzaamheid van de mensenziel. Van de mensenziel verlangt God dan weer dat zij Zijn Liefde en Tegenwoordigheid jegens de dieren vertegenwoordigt. Dit betekent dat de ziel met de dieren zo moet omgaan, dat het dier in de nabijheid van een mensenziel het gevoel heeft, alsof God Zelf tegenwoordig zou zijn (Liefde, geborgenheid, zorgzaamheid, Vrede, tederheid, respect voor de waardigheid, hulpvaardigheid). God verlangt van de mensenziel dat zij de dieren beschouwt als dragers van gevoelens, als bezit en eigendom van God en als volwaardige kanalen, door dewelke God aan de vormgeving van de ziel werkt. Om deze redenen is het in Gods ogen een zware zonde wanneer een mensenziel met een dier niet omgaat zoals Hij Zelf het zou doen, wanneer zij een dier van zijn waardigheid berooft, het niet onvoorwaardelijk liefdevol behandelt, en het niet als datgene eert, wat het in werkelijkheid is: een geschenk en een werktuig van God.

God zet vaak dieren in als geneesmiddel. Hebt U al eens opgemerkt hoe dieren soms een mens bekijken, die weent? Zij zijn bijzonder gevoelig voor gevoelens, stemmingswisselingen, en voor de mate aan Liefde of aan negatieve gesteldheid die van een mens uitgaat. Door hun onschuld en de spontane aard van hun liefde kunnen zij daadwerkelijk in de ziel een geblokkeerde Liefdesstroom opnieuw in beweging zetten, en daardoor de last van vele beklemmende emoties wegspoelen. In het niet in woorden verpakte 'begrip' vanwege een dier kan de mensenziel zich plots opnieuw in de stroom van de Goddelijke Liefde opgenomen voelen.

Het feit dat een dier niet kan spreken, maakt het niet noodzakelijk ongeschikt als 'partner' voor de uitwisseling van emoties of als middel tot bespoediging van spirituele genezingsprocessen. Doordat een dier niet spreekt, kunnen zijn emoties, die net zoals bij de mens uit het hart stromen, niet door woorden worden bevlekt. De ware, niet verontreinigde Liefde stroomt rechtstreeks tussen harten. Zo is het tussen God en de mensenziel. Zo is het tussen de engelen, en zo zou het eigenlijk in toenemende mate tussen de mensenzielen het geval moeten zijn. De ziel kan dit, bijvoorbeeld, soms ervaren wanneer zij God of Maria iets liefdevols wil zeggen, en daarbij voelt hoe van haar een stroom van Liefde naar God of Maria toe vloeit, terwijl zij er nauwelijks in slaagt, haar gevoelens onder woorden te brengen. Zodra zij hier toch in slaagt, klinkt het dan soms zo vervormd of vertekend, dat het nauwelijks nog waardevol lijkt.

Een dier kan door een blik of een beweging vaak méér zeggen dan een mensenziel door honderd woorden, maar het hart van de mens moet werkelijk geopend zijn om het dier echt goed en ten volle te begrijpen. Zeer gelijkaardig werkt ook de mystiek: Wanneer Maria in een ziel spreekt, kan Zij dit doen door woorden. Zij kan het echter eveneens in enkele beelden of zelfs in één enkel beeld doen. Gods vermogen om zonder woorden eenvoudig van hart tot hart een mensenziel te onderrichten, is mij reeds meermaals bewezen doordat Maria mij gedurende enkele seconden Zichzelf toont, mij diep in de ogen kijkt zonder daarbij ook maar één enkel woord te spreken, en ik naderhand vaststel dat Zij enorme massa’s aan mystieke kennis in mij heeft gestort. Dit proces voelt aan alsof het hart zich van het ene ogenblik op het andere zo ver opent, dat met de overweldigende stroom van Maria’s Liefde al datgene wordt overgedragen en in het hart wordt 'opgeslagen', waarvan Maria wil dat ik er vanaf dat ogenblik over zou beschikken, om op het tijdstip van Haar opdrachten het zaad voor de zielen te laten bloeien.

Daaruit blijkt dat de ziel eigenlijk het vermogen bezit om met een ander wezen te communiceren, respectievelijk informatie vanwege een ander wezen te lezen' en in zich op te nemen. De ziel kan zonder uitwisseling van woorden kennis uit het Hart van Maria in zich opnemen, en kan iets dergelijks ook in contact met dieren ervaren. Wanneer wij nu rekening houden met het feit dat God dieren kan gebruiken om een beklemde mensenziel opnieuw te ontsluiten, moeten wij er rekening mee houden dat een dier een bijzonder waardevolle brug van Gods Werken ten gunste van onze ziel kan zijn. Derhalve is het tevens een zeer onverstandige opvatting, en zelfs een belediging aan God, over een dier te spreken als "het is toch maar een stom dier". God verwacht van iedere ziel respect voor Zijn werktuigen, in welke vorm Hij deze ook wil inzetten.


6. Onverschilligheid over de omgang met dieren

"Ik begrijp heel goed wat U bedoelt. Ook ik ben diep bezorgd over de ingesteldheid van talloze zielen ten aanzien van de dieren, en in het bijzonder over de ingesteldheid van diegenen, die op grond van hun roeping op een heel bijzondere wijze Gods Liefde zouden moeten vertegenwoordigen. Precies om deze reden heeft de Hemelse Koningin mij de unieke inspiratie De Beekjes van het Heil laten schrijven, opdat het standpunt van de Hemel met betrekking tot de ongevoeligheid jegens dierenleed eens en voor altijd aan de wereld bekend zou worden gemaakt.

Heel veel mensenzielen zien dit niet in, respectievelijk (wat nog veel erger is) willen dit niet inzien, maar met de Moeder Gods als Getuige bevestig ik U deze Waarheid: In het uur van haar aardse dood verzwaart een mensenziel het oordeel over haar pas geëindigd leven op aarde door elk leed dat zij medeschepselen (ook dieren) heeft toegebracht, en verlicht zij haar oordeel door elke akt van Liefde, die zij jegens haar medeschepselen (ook dieren) heeft gesteld. Deze regel zou zo ongeveer als de rode draad kunnen worden beschouwd, die doorheen de boodschap loopt, die in de Beekjes van het Heil aan de mensheid wordt overgebracht.

Dit alles zou toch heel begrijpelijk moeten zijn voor elke ziel die de Wet van Gods Liefde heeft begrepen. Dieren zijn, evenzeer als mensen, schepselen van God. Zij zijn uit Zijn Liefde voortgekomen, en hebben binnen de Schepping een belangrijke rol te vervullen. Deze rol – die, nota bene, ook het Heil van de mensenzielen betreft! – wordt in de Beekjes in vele details uiteengezet. Niettemin is gebleken dat er zielen zijn, die zichzelf als christenen bestempelen, die deze uiteenzettingen zo volledig verkeerd verstaan, dat men niet meer bekomt van de verbazing bij het lezen van datgene, wat zij daarover denken, respectievelijk hoe zij deze uiteenzetting wel hebben begrepen.

Ik wil het daarom nogmaals klaar en duidelijk zo formuleren: Het is de Schepper en Heiland een gruwel wanneer mensenzielen dieren leed berokkenen. De dieren zijn door Hem geschapen om de mensenzielen vreugde te bereiden door hen reeds hier op aarde duidelijke tekenen van Zijn Liefde te laten voelen – tekenen die duidelijk en ondubbelzinnig zijn doordat zij zelfs met de zintuigen kunnen worden waargenomen, in de natuur rondom de zielen.

Het gebrek aan zichtbare Liefde bij sommige diersoorten en de redenen daarvoor, heb ik in de Beekjes eveneens vanwege de Hemelse Koningin op zeer goed te verstane wijze mogen bespreken, respectievelijk moeten bespreken. Deze tekenen doen in geen enkel opzicht afbreuk aan de stelling over de dieren als kanalen (beekjes!) van Gods Liefde, en dus van het Goddelijk Leven.

De dieren zijn onderdelen van het netwerk van Gods Liefde, dat de hele Schepping omspant. Wie dieren leed berokkent, bewust en onverschillig, verminkt in werkelijkheid uitingen van Gods Liefde, dit wil zeggen: Hij verminkt Werken van God. Laten wij nooit vergeten:

  1. Slechts de Liefde maakt het leven op aarde mogelijk;
  2. Slechts de Liefde bepaalt of, en in welke mate, de mensenziel reeds op aarde het Geluk vindt;
  3. Slechts de Liefde bepaalt in welke mate de mensenziel in de eeuwigheid zal delen in het Heil.

Hoe kunnen mensen, en heel in het bijzonder dezen, die zich als christenen beschouwen, zich er nog over verwonderen dat de ellende op aarde blijft toenemen, wanneer zij er nauwelijks bij stilstaan, en er in vele gevallen zelfs niet eens in geloven:

  • dat in de Schepping alles pas door de Genade Gods leeft, en de fundamentele Genade deze van de Liefdesstroom is, die Hij onophoudelijk doorheen de hele Schepping laat vloeien;
  • dat de stroom van de Goddelijke Liefde voor de hele Schepping pas zijn effect krijgt door de wijze waarop de mensenzielen met deze Liefde omgaan;
  • dat Gods geschenken van Liefde op aarde slechts zeer beperkt op hun echte waarde worden geschat, respectievelijk zeer ondergewaardeerd blijven;
  • dat elk teken van Gods Liefde een (vaak gecamoufleerde) schat van Heil voor de zielen in zich draagt.

Slechts de Liefde van God, en vanwege de mensenzielen het juiste begrip en de volhardende, onzelfzuchtige toepassing ervan, kan de wereld en de zielen redden. De redding zal niet eenvoudig door een tussenkomst van Boven komen, zij moet door de zielen worden bewerkt, en wel door volle benutting van de Genade en de opperste verheerlijking van de Liefde in ons dagelijks leven. Deze 'noodkreet' van Gods wege in de harten te laten doordringen, is de opdracht en de ware zin van het Maria Domina Animarum Apostolaat van de Hemelse Koningin.

Niet alleen verstaan vele zielen de tekenen van Gods Liefde niet meer, respectievelijk nog niet, en wordt wereldwijd dag na dag miljarden malen de Wet van de Liefde overtreden, boven dit alles heeft de Hemel de zielen nog het unieke manifest De Beekjes van het Heil als volkomen onverdiende uiteenzetting over het diepste wezen van de Goddelijke Liefde gegeven, en zelfs dit geschenk heeft enkele zielen er niet van weerhouden, Myriam aan te vallen met redeneringen die slechts uit de diepste duisternis en verblinding kunnen zijn geput. Zo zij het: Ik doe uitsluitend datgene, waartoe de Moeder Gods mij oproept, en wel precies met de invulling die Zij mij ingeeft. Daarom bedroeft mij dit niet omwille van mijn nietigheid, doch vanwege de ingesteldheid van bepaalde zielen jegens de Moeder Gods deze Stem van de Waarheid en Moeder van de Mens geworden Liefde.

Bepaalde 'christenen' hebben zich bovendien aangematigd, de beslissing van der Moeder Gods voor belachelijk te houden, toen Zij ertoe liet oproepen (en ertoe blijft oproepen), op de vierde dag van elke maand een gebedsdag ten gunste van de dieren te houden. Ik verzeker U dat ik in alles, wat Zij mij heeft gezegd en in mij heeft uitgewerkt, met diepe droefheid heb beseft dat nauwelijks een ziel kan begrijpen vanuit welke nood vanwege de zielen Maria deze oproep heeft laten verkondigen, en dat geen woorden ooit voldoende kunnen uitdrukken hoe belangrijk deze oproep voor de mensheid wel is. In de plaats daarvan hebben sommige zielen in dit verband Myriam zelfs uitgelachen. De mensenziel, door God bedoeld als kroon op de Schepping, lacht over Gods maatregelen, die erop gericht zijn, hun Eeuwig Geluk te redden, waar zijzelf blijkbaar onverschillig tegenover staan...

Ongeacht hoe bepaalde instanties tegenover dit thema staan, ik beklemtoon dat ik in de Beekjes van het Heil, zoals in alle geschriften, de volle, onverdeelde Waarheid heb geschreven, zoals de Hemelse Koningin mij deze in gesproken woorden en in vele beelden heeft medegedeeld. Ik heb daaraan noch om het even wat zelf toegevoegd, noch om het even wat weggelaten, waarvan de Hemelse Moeder mij heeft verzocht, het door te geven. Derhalve getuig ik met heel mijn wezen dat elke regel die in de Beekjes van het Heil staat geschreven, Gods Waarheid vertegenwoordigt. Ik herhaal in dit verband, en zal niet ophouden, te herhalen, dat het mij heel goed bekend is, welke veroordeling mij zou wachten indien ik niet de volle Waarheid zou schrijven zoals de Meesteres van alle zielen mij deze onderricht, en die ik niet uit mijzelf doch uitsluitend in Haar opdracht mededeel, in de Beekjes van het Heil evenals in alle geschriften die via het Maria Domina Animarum Werk worden verspreid.

Het is waarlijk de hoogste tijd dat de zielen, en in de eerste plaats de christenen – die immers op grond van hun navolging van Christus, de Eeuwige Liefde, daartoe nog het meest geroepen zijn – er zich heel ernstig over bezinnen dat op hen de verantwoordelijkheid rust om het zaad van Gods Liefde te laten openbloeien. Wij zijn hier op aarde om geen andere reden dan deze, in dit tranendal Gods Rijk tot bloei te helpen brengen. De aarde is niet door Gods Liefde tot een tranendal geworden, doch doordat deze Liefde ontelbaren onverschillig laat, en het zelfs vele christenen onverschillig laat, wat met de Schepping als geheel en met de individuele schepselen – mensenzielen en dieren, stuk voor stuk Werken uit Gods hand – gebeurt.

Op ons rust de heilige plicht, geen zaadje uit Gods Hart verloren te laten gaan. Om deze plicht – die voor de kroon op de Schepping het toppunt van vreugde en derhalve een uniek voorrecht zou moeten zijn – te kunnen vervullen, is er geen andere weg dan deze van de onzelfzuchtige inzet voor de vruchtbaarheid van Gods geschenken van Liefde. Zolang de mens niet het immens belang van de Liefde in de omgang met de dieren heeft beseft, en hij deze niet in de praktijk van het dagelijks leven toepast, en wel met heel zijn hart, kan slechts een fractie van het zaad van Goddelijk Leven in de mensenzielen openbloeien.

Vele christenen maken zich terecht zorgen over het feit dat zovelen voor de eeuwigheid verloren gaan. Hoe zou dit anders kunnen, wanneer niet eens onder ons, christenen, de Ware Liefde wordt begrepen? (...) Het aandeel van onze ingesteldheid jegens de dieren in de ontwikkeling van de ellende op aarde, respectievelijk in het bijsturen ervan, is aanzienlijk groter dan de mensenzielen bereid zijn, het zich voor te stellen. In dit besef ligt één van de belangrijkste lessen van de dringende Hemelse oproep, die in de Beekjes van het Heil is belichaamd. Laten wij ons met volle kracht ervoor inzetten dat deze oproep de door de Allerhoogste beoogde vruchten moge kunnen opleveren, om het even wat sommige zielen daarvan denken. (...)"


7. God voelt alles van elk schepsel, ook van elk dier

"Jezus en Maria voelen elke gewaarwording van elke mensenziel. Nog ongewoner is echter dat Jezus en Maria bovendien elke gewaarwording van elk dier kunnen voelen. Dit bevestigt de volmaaktheid van Gods vermogen om elke mensenziel op onfeilbare wijze te oordelen. Inderdaad, het geheel aan verdiensten, aan heiligheid, aan misstappen en aan onvolmaaktheden van elke ziel wordt ook bepaald door de wijze waarop zij met de dieren op haar levensweg omgaat! De meeste zielen weten niet, respectievelijk houden er geen rekening mee, hoe belangrijk in Gods ogen de omgang met de dieren op hun levensweg is. Maria vertrouwde mij enkele jaren geleden toe dat elk dier na de aardse dood naar God terugkeert als drager van, onder andere, alle ervaringen die het met mensenzielen heeft opgedaan.

Hebt U een poes, een hond, een papegaai, een konijntje, een paard, enzovoort, dan worden in deze dieren alle ervaringen die zij met U hebben opgedaan, 'opgeslagen'. Elke streling, elke uiting van Liefde en tederheid, elk lief woord, maar ook elke daad van liefdeloosheid, elke terechtwijzing, elke mishandeling door mensenhand wordt in een dier 'opgeslagen'. Bij de dood van dit dier wordt het niet, zoals de mensenziel, geoordeeld, want een dier valt buiten de rechtstreekse effecten van het Verlossingsmysterie en kan ook niet zondigen. De Verlossing en de zonde hebben slechts hun uitwerking in de mensenziel. Elk dier speelt echter wel een rol in de onrechtstreekse effecten van het Verlossingsmysterie: Door haar omgang met alle dieren die zij op haar levensweg ontmoet, wordt elke mensenziel ook door deze dieren spiritueel 'gevormd'. Haar omgang met alle dieren op haar levensweg draagt dus bij tot de staat van heiligheid, van verdiensten of van schuld van de ziel tegenover God.

Om deze reden beschikken Jezus en Maria over het onbeperkt vermogen om de lichamelijke en emotionele gewaarwordingen van elk dier aan te voelen. Wanneer een dier sterft, 'leest' God in diens 'levensprincipe' (= de tegenhanger van wat bij de mens als 'ziel' wordt aangeduid) alles (elke afzonderlijke gewaarwording) wat dit dier met mensen heeft meegemaakt, met welke mensenziel het dit heeft beleefd, en hoe elke individuele gewaarwording moet worden geëvalueerd (als geschonken Liefde, respectievelijk als berokkend leed). Dit alles betekent dus dat de Liefde voor een dier (ongeacht of het een huisdier of zelfs 'slechts' een tuinvogel is, enzovoort) kan bijdragen tot de Verlossing en heiliging van een mensenziel, maar ook dat elke mishandeling van een dier in Gods ogen absoluut een zonde is, omdat een dergelijke handeling uitdrukking geeft aan een gebrek aan Liefde tegenover een werk van God, en dit Zijn Heilsplan op indirecte wijze negatief beïnvloedt.

Wij mogen nooit vergeten dat elk dier in de Schepping een rol te vervullen heeft, dat het om deze reden voor God belangrijk is, en dat elk gebrek aan Liefde vanwege een mensenziel de stroming van de Liefde en dus ook van het Goddelijk Leven doorheen de Schepping op een bepaald punt verandert. Wanneer U dit alles beschouwt, zult U begrijpen hoe het komt dat Jezus en Maria alle Liefde maar eveneens alle leed van de hele Schepping onbeperkt kunnen aanvoelen. Alle leed dat mensenzielen elkaar en dieren aandoen, vormt samen het eeuwigdurend Lijden van Jezus en Maria.

De belangrijkste redenen waarom dit zo is, zijn dus de volgende:

  1. God zou anders niet de precieze staat van genade en ongenade van elke ziel kunnen vaststellen en evalueren;
  2. Jezus en Maria zijn tot het einde der tijden volledig onderdeel van de 'kringloop' van de Verlossing. Zij zouden nooit deel van dit systeem kunnen zijn, indien Zij niet volledig aan de effecten van de wederzijdse relaties tussen alle schepselen deel zouden hebben, respectievelijk indien Zij deze effecten niet in Hun eigen Wezen konden aanvoelen.

In die zin zijn ook de woorden te begrijpen, die zeggen dat Jezus Zijn Kruis voor alle tijden draagt, en dat Maria voor alle tijden over de mensheid weent".


8. Spirituele betekenis van dierenleed

"Allereerst wil ik duidelijk stellen dat Maria alle leed dat dieren door mensen wordt aangedaan, bijzonder scherp veroordeelt. Opdat alles zou worden begrepen zoals het werkelijk is bedoeld, moet ik nu op de volgende punten wijzen:

1. Vanzelfsprekend zegt de Leer van de Kerk dat dieren 'levende zielen' zijn. Noch Maria noch ikzelf hebben dit ooit tegengesproken. U mag niet uit het oog verliezen dat hier wordt uitgegaan van het Latijnse woord 'anima', wat echter zowel 'ziel' als 'levensprincipe' kan betekenen. Maria maakt hier een duidelijk onderscheid, in die zin dat de mens een ziel in de werkelijke zin bezit, terwijl bij dieren sprake is van een levensprincipe. De 'ziel' in de enge betekenis van het woord is eigen aan de mens, omdat zij het 'sturend beginsel' is, dat het leven richting geeft terwijl het menselijk wezen nog zijn weg naar God aflegt. Slechts de mens neemt actief deel aan het Verlossingsmysterie, en kan geheiligd worden. Dit brengt ons bij het tweede punt:

2. Wanneer Maria zegt dat het leed van dieren geen verlossende waarde op zich heeft omdat dieren niet actief deelnemen aan het Verlossingsplan, respectievelijk aan Gods Heilsplan, bedoelt Zij daarmee allerminst dat de mens de vrije hand zou hebben om dieren te mishandelen of enig leed te berokkenen, wel integendeel! Zij beklemtoont met deze uitspraak precies dat de mens zijn verantwoordelijkheid moet nemen, want:

a) doordat dieren geen 'ziel' hebben in de werkelijke, enge betekenis van het woord, kunnen zij zelf niet zondigen. Derhalve moet de mens tegenover God verantwoording afleggen wanneer iets met dieren, in de relatie tussen mens en dier, niet verloopt in overeenstemming met Gods Wet, namelijk wanneer deze relatie niet getekend is door de volle Liefde. Ik neem aan, dat dit – onder andere – overduidelijk blijkt uit de onderrichting Het Vuur des Hemels evenals uit diverse openbaringen van de Meesteres van alle zielen;

b) God heeft de mens voorzien als vertegenwoordiger van God jegens de Schepping. Dit betekent onmiskenbaar dat de mens tegenover de dieren de Goddelijke eigenschappen hoort te vertegenwoordigen: onvoorwaardelijke Liefde, zorgzaamheid, tederheid, zachtheid, warmte en Licht;

c) God heeft de dieren geschapen uit Liefde voor de mens, opdat de mens vreugde aan de dieren zou hebben, en opdat de dieren als anders geaarde levende wezens de mens zouden dienen tot bron van onderricht in de deugden. Maria zegt dit op niet mis te verstane wijze. Dit betekent zonder meer dat de mens die zich aan dieren vergrijpt, voor zijn gedrag ter verantwoording zal worden geroepen, en wel voor het Aanschijn van de Goddelijke Rechter, Die hem tot hoeder van de Schepping, dus ook van de dieren, heeft aangesteld.

3. In een openbaring zegt de Meesteres van alle zielen klaar en duidelijk dat de mens verantwoordelijk is voor alles wat in de Schepping, zelfs in de dierenwereld, verkeerd loopt. Vanwege de zonden der mensen zijn bepaalde dieren agressief, vanwege de zonden der mensen eten dieren elkaar op, vanwege de zonden der mensen is de verhouding tussen mensen en dieren zo zwaar verstoord dat vele dieren geen vertrouwen in de mens hebben, dat zij vluchten wanneer zij door een mens worden benaderd, enz... Ja, zelfs vanwege de zonden der mensen eten vele diersoorten slechts, of overwegend, vlees! Dit alles zijn Maria’s woorden.

Lieve broeder, mijn hart bloedt wanneer ik vaststel hoe dieren lijden onder de wreedaardigheid en onverschilligheid van mensen. Mijn hart bloedt evenzeer wanneer boodschappen en onderrichtingen van de Hemelse Koningin van de Schepping en van de Liefde in deze zin verkeerd begrepen worden dat zielen deze Hemelse woorden zouden beschouwen als rechtvaardigingen om wreedaardig gedrag van mensen jegens dieren goed te praten!

Maria bepleit nooit dat men mensen die dieren leed berokkenen, zo maar moet laten begaan, wel integendeel. Mocht U de genade worden vergund om gedurende één enkele seconde één te mogen zijn met het Hart van Maria terwijl Zij leed ervaart dat door mensen aan dieren wordt aangedaan, lieve broeder, dan moge God U bijstaan om deze seconde te overleven. Mocht ooit een ziel menen dat de Hemelse Koningin geen hart heeft, onder meer wat de betrekkingen tussen mens en dier betreft, dan moge God deze ziel in het uur van haar levensoordeel bijstaan wanneer Zijn Barmhartigheid haar de volheid van de Waarheid laat voelen, ook in verband met het gedrag dat God van de mens tegenover de dieren verwacht...

Lieve broeder, ik heb steeds vurig van de dieren gehouden. Sedert de Meesteres van alle zielen mij de Schepping en sommige Mysteries uit Gods Hart element na element op mystieke wijze laat schouwen, laait dit Liefdesvuur jegens de dieren in mij nog hoger op, daar ik nu in het Hart van Maria Gods Liefde voor de dieren heb mogen ervaren. Ik heb deze Liefde precies om deze reden mogen ervaren, dat ik anders nooit in staat zou zijn, in de onderrichtingen de diepgang van Maria’s intenties in de juiste woorden te vatten. Het feit dat Maria zovele oproepen tot een radicale ommekeer in de instelling van de mens tegenover de dieren laat horen, moge U bewijzen hoeveel Haar eraan gelegen is dat mensen hun mentaliteit in dit verband drastisch zouden veranderen.

Mij is van andere openbaringen – dus buiten deze welke Maria in mij zelf uitwerkt – niets bekend. Er is mij echter toevertrouwd dat de Hemel zich nooit voordien zo klaar over dit thema heeft uitgesproken als dit nu via Myriam van Nazareth het geval is. Dit zou ons toch één en ander moeten laten begrijpen, met name:

  1. dat de relatie tussen mens en dier voor de Hemel buitengewoon belangrijk is;
  2. dat de betrekkingen tussen mens en dier voor de ontwikkelingen van Gods Heilsplan veel belangrijker moeten zijn dan de meeste mensen denken;
  3. dat de stand van zaken in dit verband in onze tijd aanzienlijk erger moet zijn geworden.

Lieve broeder, Maria roept de mensheid op tot een volkomen nieuw, onvoorwaardelijk en volkomen liefdevol gedrag tegenover de dieren, en Zij beklemtoont steeds weer hoezeer de levensatmosfeer op aarde in de gunstige zin zou veranderen indien de mens tegenover de dieren daadwerkelijk God zou vertegenwoordigen zoals Hij werkelijk is: als Bron van Liefde. Ik betreur daarom uitermate alle misverstanden over dit onderwerp, die mij het hart verscheuren. (...)

Het is nu werkelijk de hoogste tijd dat de mensheid zich erover zou bezinnen welke schade zij de effecten van de Goddelijke Liefde berokkent door met de dieren om te gaan zoals dit nu gebeurt (commercieel, doch ook maar al te vaak in de sfeer van het private leven). De Liefde is de brandstof van het ware Leven. De ziel die deze versmaadt of in haar eigen gedrag verloochent, kan dit in Gods ogen niet rechtvaardigen. Alles wat door God is geschapen, draagt elementen van Liefde in zich. Wee de ziel die Werken van God poogt te verminken. Aldus luidt Gods Wet.

Vele dieren lijden door de hand van mensen. Een ware gruwel in Gods ogen: Dieren als geschenken van Zijn Liefde worden veracht en op de meest uiteenlopende wijzen behandeld zoals slechts de duivels zelf dit kunnen doen. Welke waarde heeft het lijden der dieren? Zoals de Meesteres van alle zielen onderricht, heeft het lijden van dieren op zich geen verlossende waarde, omdat de dieren op zich buiten het Goddelijk Heilsplan staan, MAAR... de dieren worden op de levensweg van mensen gebracht opdat de mensenzielen door hun omgang met dieren vele dingen zouden leren. De wijze waarop een ziel met dieren omgaat, toont God in welke mate deze ziel ontwikkeld is in de Liefde. Laten wij niet vergeten dat de ziel na dit leven wordt geoordeeld op grond van de LIEFDE die zij heeft opgebracht! Op zich is het lijden van een dier zinloos, tenzij mensenzielen dit lijden bewust opofferen".


9. Wat gebeurt met dieren na hun leven

"In verband met Uw vraag, wat met de dieren gebeurt na hun aardse leven, kan ik U het volgende mededelen, dat mij door de Hemelse Koningin is gezegd.

Ik begrijp heel goed Uw onrust bij de gedachte dat dieren er zelfs weinig aan hebben dat hun leed ten goede kan komen aan mensenzielen (mits er zielen zijn die veel Licht voortbrengen door hun totale toewijding en hun vurige gebeden). Ook ikzelf was ooit heel bedroefd wegens diezelfde gedachte. Toen mij enkele jaren geleden echter enkele opmerkelijke (mooie) ervaringen met diverse dieren te beurt vielen, voelde ik mij daarover zo ongewoon, dat ik heel vurig tot de Meesteres van alle zielen bad om toelichting in verband met vragen die bij mij waren gerezen. Ik deel graag met U de essentie van Haar antwoord in verband met een poes, omdat het absoluut belangrijk is.

Op zekere dag werd één van de beide huispoezen ziek. Het viel mij op dat dit dier zich plotseling heel merkwaardig begon te gedragen: Het leek erop alsof dit dier tekenen wilde stellen, het ene na het andere. Na volhardende smekingen verklaarde Maria mij dat deze poes in haar ziekte daadwerkelijk 'van Boven werd gebruikt' om bepaalde dingen duidelijk te maken over haar innerlijk wezen, en over de mate waarin God Zelf ook in een dier werkzaam is. Op Vaderdag, een dag die ik als het feest van deEeuwige Vader in de Hemel beschouw, wijdde ik deze poes aan de Eeuwige Vader toe, uit dankbaarheid voor de buitengewone ervaringen die mij tijdens haar ziekte waren vergund. Klokslag middernacht (dus op het tijdstip waarop de 'dag van de Eeuwige Vader' ten einde liep) stierf zij, liggend op mijn schoot, terwijl ik ononderbroken tot Maria bad en tot de poes woordjes van Liefde sprak, waarop zij met een buitengewone rust reageerde. Dit stervensuur kwam op mij over als een teken voor het feit dat Maria de toewijding van de poes en van alle met haar in verband staande ervaringen van de voorafgaande dagen aan de Eeuwige Vader – en dit alles tegen de achtergrond van datgene wat Maria mij tijdens die dagen had toevertrouwd – wilde bevestigen. Iets eigenaardigs was overigens het feit dat de poes, met het oog op de aard van haar plotse ziekte en van de symptomen ervan, eigenlijk logischerwijze zwaar had moeten lijden, doch dat zij niettemin ongewoon vredig en rustig overkwam, tot en met haar stervensuur. Wat had Maria gezegd?

Maria zei mij dat een lijdend dier zijn lijden geheel anders draagt dan de meeste lijdende mensen dit doen. De mens laat zich gemakkelijk zodanig door zijn verstand leiden, dat zijn eigen geestesprocessen spoedig tot zijn ergste vijand worden: Zijn leed wordt vele malen zwaarder doordat hij erover piekert of het begint te analyseren en zich allerlei toekomstbeelden in het hoofd begint te halen. Het dier daarentegen laat zich met Gods Hart verbinden, zomaar, zonder meer. Het lijdt, daadwerkelijk, doch gaat hier volkomen anders mee om, zodat het lijden als het ware een heel andere zin krijgt. Men zou bijna kunnen zeggen: 'Onbewust en ongeweten wijdt het dier zijn lijden van harte aan God toe'.

Vanzelfsprekend maakt dit het wangedrag van mensen die een dier doen lijden, op geen enkele wijze goed. In tegendeel: God vangt niet slechts de pijnen en ongemakken van het lijdende dier op, doch ook de oorsprong ervan. Dit betekent dat het lijden van het dier in Gods Hart wordt 'uitgestort', om zo te zeggen 'voorzien van de handtekening van diegene, die dit lijden veroorzaakt'. Door een Mysterie kan men het zo uitdrukken dat God, hoewel Hij de volheid der heerlijkheid belichaamt, onder dit alles verschrikkelijk lijdt. Zijn oneindige Liefde heeft in die zin een 'compensatie' voorzien, dat het lijdende dier, dat toch al 'op een zuivere wijze' met het Hart van God is verbonden, en Zijn Liefde 'op een zuivere wijze' ervaart, nog dieper in Gods Hart wordt opgenomen.

Wat dan wanneer het dier sterft? Maria zei mij dat, wanneer een dier sterft, het naar zijn Schepper terugkeert, 'geladen' met alles wat het vanwege mensen in zich draagt. Het levensprincipe (om zo te zeggen 'de ziel' – Latijn 'animus/anima') van het dier keert voor eeuwig in Gods Hart terug, en beleeft daar om zo te zeggen op zijn manier ook datgene wat voor mensenzielen de 'Hemel' wordt genoemd.

In de dieren toont God ons pas goed hoezeer Hij met Zijn schepselen bezig is. De dieren begrijpen dit intuïtief veel sneller en dieper dan de meeste mensenzielen dit begrijpen. De mensenzielen kunnen zo veel van de dieren leren, doch minachten deze zo vaak. Ook op dat punt kan niet geloochend worden dat God er de voorkeur aan geeft, in het heel eenvoudige te spreken en er Zijn Geheimen in te verbergen. Voor de mensenzielen is de grote les zonder twijfel deze: dat zij van hun troon van eigendunk moeten afdalen om opnieuw aansluiting met God en de Mysteries van het Ware Geluk te vinden door opnieuw te leren letten op de echte wonderen van de Schepping: niet op datgene wat door wetenschap en technologie wordt nagejaagd, doch op datgene, wat God aan ongelooflijk veelzijdige schatten van Liefde in de 'kleine' levende wezens (dieren, bloemen...) verborgen heeft.

Laten wij samen bidden om de lichtstraal van inzicht zoals deze ooit Saul op zijn weg naar Damascus trof. Moge deze straal een onuitwisbare stempel op al onze harten drukken, opdat wij Gods Liefde mogen ontdekken, die zich in zovele dingen op onze levensweg bemerkbaar maakt, zelfs in de kleinste bloem, in een zwervende hond, in een huiskat, enzovoort... Met elke element van een Goddelijk Mysterie dat aan een hart wordt geopenbaard, ontvouwt zich als het ware een nieuwe laag van de roos van de volmaakte Liefde van God voor Zijn Schepping. Waarom blijft dan toch uitgerekend de 'kroon op de Schepping', de mensenziel, vaak een leven lang totaal blind voor dat alles?

Gods Liefde is even prachtig als de mensenziel blind is geworden. Moge God onze blindheid genezen, opdat ook ons hart moge genezen. Onmetelijk veel heeft Hij ons gegeven. Bijna evenveel hebben wij zelf onder de aarde van onze wereldse gehechtheden begraven".

De Koningin des Hemels herhaalde reeds meermaals dat het levensprincipe van een overleden dier naar het Hart van God terugkeert:

"De kern van elk levend wezen is het zogenaamde levensprincipe. Bij de mens wordt dit 'de ziel' in de enge zin genoemd. Het lichaam is slechts het gedeelte van het wezen, dat wij met onze ogen kunnen zien. Het lichaam dient slechts om te kunnen handelen en bewegen op aarde. Datgene wat werkelijk ononderbroken met God en Zijn Werken in verbinding blijft, is het levensprincipe. Daarom is het dit levensprincipe dat naar God terugkeert. Het is niet stoffelijk. Een overleden dier bestaat dus absoluut nog in het hiernamaals, doch wordt daar met de ogen van de ziel waargenomen. Wanneer wij in de Hemel komen, zullen wij ook onze overleden medemensen van ziel tot ziel waarnemen. Ook de engelen zien elkaar van ziel tot ziel, niet in een stoffelijk lichaam. De gelukzaligen (overleden mensen) zien elkaar eveneens van ziel tot ziel. God en Maria worden met de ziel waargenomen, dus in een verheerlijkte gedaante. Zo verloopt nu eenmaal de waarneming op het bovennatuurlijk niveau.

Wanneer Maria Zich aan een ziel op aarde toont, gebeurt dit ook gewoonlijk niet in een gestalte van vlees en bloed. Wanneer wij onze medeschepselen van ziel tot ziel mogen zien, zullen wij hen zien zoals God hen oorspronkelijk had bedoeld, dus veel mooier dan op aarde. Dit is dus allesbehalve 'erg' (zoals U het noemt), doch een ware verrukking, het toppunt van gelukzaligheid: Wij kunnen als het ware doorheen het wezen van onze geliefde medeschepselen kijken, en zien dit precies zoals God het ziet.

Over het bestaan van een afzonderlijk paradijs voor dieren, heeft Maria mij (nog) niets gezegd. De Hemelse Koningin heeft mij altijd reeds gezegd dat alle levende wezens wier zonden volkomen uitgeboet zijn, elkaar in het hiernamaals terug zien via de bovennatuurlijke waarneming van ziel tot ziel, of van ziel tot levensprincipe. Aangezien dieren niet kunnen zondigen, heeft dit uitboeten slechts betrekking op de mensenzielen. Wat de dieren betreft, zei Maria mij jaren geleden uitdrukkelijk: "Geen onschuldig levend wezen gaat verloren". Een overleden dier keert in het Hart van God terug als levensprincipe. Het levensprincipe is 'drager' van de Goddelijke Intelligentie, die het groeiproces en de instroming van levenskracht van God uit, in het wezen regelt, en als het ware een 'ontwerp van het levensplan' van het betreffend levend wezen bevat. Dat alles maakt het levensprincipe tot een echt wonder uit Gods Hand. De Schepper laat dit niet verloren gaan.

Maria heeft mij niet woordelijk gezegd, maar mij wel te verstaan gegeven, dat de mensenziel in het Paradijs ook de levensprincipes van de overleden dieren zal kunnen waarnemen, en hen zo kan herkennen als waren zij lichamelijk aanwezig. Men zou het zich eigenlijk zo kunnen voorstellen, dat men daar zijn hond, zijn poes, zijn konijntje enzovoort, zonder meer zou kunnen herkennen, niet omdat deze lichamelijk vóór ons staan, doch omdat de ziel in de heerlijkheid een volkomen ontsloten waarneming bezit. Volgens ditzelfde systeem zou nog iets anders verklaard kunnen worden, dat Maria mij ooit in het kader van een mystieke ervaring liet zien: Dat de ziel in de Hemel elke andere ziel onmiddellijk herkent (alle engelen, alle gelukzaligen, de Koningin van de Hemel enzovoort) Hoe komt dit? Doordat de ziel in het Paradijs een volkomen waarneming bezit en door mystieke kennisoverdracht de vaardigheid verwerft, 'in andere zielen te kijken'. Men zou het zo kunnen zien, dat de ziel in de heerlijkheid vele dingen bij benadering zal kunnen zien zoals God Zelf deze ziet, en dat zij daar onmiddellijk weet, 'wie zij vóór zich heeft'."

Dit thema kwam eveneens ter sprake in een brief in verband met de omgang met de dood van een geliefd dier:

"Nooit straalt het licht van de morgen feller dan na de donkerste nacht. God schenkt de ziel het vermogen, pijn te voelen, opdat zij naar Hem op zoek zou gaan als ware Hij het enige Licht in haar duisternis. Dat is Hij ook. De ziel vergeet dit alleen gemakkelijk, omdat het leven in de wereld haar dagelijks met duizenden indrukken bezig houdt, en terwijl deze verwerkt worden, verdwijnt in ons bewustzijn reeds gauw het ongrijpbare, het onzichtbare, dat nochtans de enige bron van Leven is. Tranen zijn op hun beurt door God voorzien als een stortbad voor de ziel.

De pijn wegens het verlies van een geliefd wezen kan tot een machtige bron van reiniging en Verlossing voor andere zielen en voor de eigen ziel worden. De dood van een geliefd wezen kan hartverscheurend werken. Dit gevoel bezit het vermogen, Liefde van een bijzonder hoge graad op te wekken, en wel in de mate waarin de ziel zich op het Hart van God oriënteert. De Liefde is precies de Levensbron van de hele Schepping omdat zij de Goddelijke kracht bij uitstek is. Wanneer U tot God bad opdat X (naam van de hond) niet zou sterven, heeft Hij U schijnbaar niet verhoord. Met de Meesteres van alle zielen tot getuige druk ik U echter op het hart wat in werkelijkheid op het bovennatuurlijk niveau is gebeurd:

Er was tussen U en het dier een sterke liefdesband. Op grond van deze verbinding 'van hart tot hart' vloeiden de tekenen van haar lijden in Uw eigen ziel over. In Uw ziel heeft Uw gehele kracht als liefhebbend wezen zich verzameld om God om hulp te smeken. Deze hulpkreet (die U meermaals naar boven hebt gestuurd) is in Gods Hart aangekomen als een Liefdesvuur. Wanneer het Vuur van de totale Liefde van een ziel de oneindige Vlammenzee van de Goddelijke Liefde aanraakt, wordt in het levensboek van de ziel van dewelke dit Liefdesvuur uitgaat, door een 'tweelingvuur' van menselijke en Goddelijke Liefde één en ander verbrand wat de ziel tot op dat ogenblik zou hebben kunnen verhinderen, haar vlucht opwaarts te voltrekken.

Geen sterkere vlam kan een mensenhart ontwikkelen, dan deze van de pijn om het lijden van een geliefd wezen, om het even of het om een mens of een dier gaat. De verbinding van twee harten (het tweede kan absoluut het hart van een dier zijn, dus in Uw geval het hart van X) maakt een ononderbroken overvloeien van gevoelens in beide richtingen mogelijk. Wanneer nu één van de schepselen doorheen een fase van pijn gaat, zal dit zich op één of andere wijze in het andere schepsel laten voelen, en zal het tweede onmiddellijk wegen en middelen zoeken om deze pijn te laten verdwijnen of – wat in Gods ogen oneindig veel groter is! – deze pijn zelf te dragen, opdat het andere schepsel de gewaarwording van het Geluk moge kunnen terugvinden. Hier worden Jezus’ woorden tot leven gewekt: "Geen grotere Liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden".

'Zijn leven geven', voltrekt zich in zeker opzicht ook in de ervaring van de onvoorwaardelijke Liefde jegens een geliefd wezen, doordat men voor dit wezen elk offer brengt. De verlossende kracht van de Liefde krijgt hier haar volste uitwerking.

In deze beleving van de eenheid met het geliefde wezen ontplooit de ziel zich in een zo verregaande mate, dat zij buitengewoon gevoelig wordt. Op grond daarvan ontstaan in een dergelijke toestand zeer gemakkelijk gevoelens zoals berouw, schuld, spijt, enzovoort. Deze gevoelens zijn in spiritueel opzicht absoluut niet altijd terecht. Integendeel: De pijn die U momenteel voelt, en de schuldgevoelens, hebben in U krachtige verlossende werkingen opgewekt. God heeft Uw gebed wel degelijk verhoord, maar niet op de wijze zoals U menselijkerwijze hebt gehoopt. Hij heeft het lijden en het sterven van X gebruikt om in U de Liefde zo hoog te laten oplaaien dat Uw hele ziel op een hoger niveau van loutering en vruchtbaarheid kon worden getild.

Er kan dus worden gezegd dat God U zeker iets tijdelijks heeft ontnomen, doch U tegelijkertijd een echte eeuwige schat heeft geschonken, die momenteel echter nog in de onzichtbare sfeer van Uw ziel verborgen ligt. Later zult U de volle waarheid hierover te zien krijgen. Nu moet dit voor U nog een geheim blijven, opdat U de kostbare verdienste van het ware Geloof niet ontnomen zou worden. Omdat de pijn U echter dreigt te verlammen, staat Maria wel dit kleine inzicht toe:

Lieve zus, U hebt geen fout begaan. Gods Voorzienigheid heeft U wegen getoond en U hebt besloten, de weg die U vanuit de wereld werd getoond, (chirurgie) niet te kiezen. Ik kan U verzekeren dat deze weg X totaal niet tot nut zou zijn geweest, want haar tijd was gekomen. Zij had het Plan vervuld, dat God met haar had. Wereldse handelingen zouden hier niets hebben opgeleverd dat spiritueel vruchtbaarder zou zijn geweest.

Ziekten, diagnosen of geneeswijzen uitpendelen, is door God niet toegestaan. Gods Voorzienigheid ziet deze weg als een poging om kennis te verzamelen die ons momenteel nog niet toekomt, en dan nog via wegen die ons van Gods Licht wegleiden. U zal deze misstap echter niet als zonde worden aangerekend, omdat Uw motief, spiritueel gezien, juist was: U werd bewogen door een oprechte Liefde, niet door het verlangen om aan God voorbij te gaan. (...) Gods Wijsheid het leven van X op de betreffende dag moest beëindigen, omdat haar leven de top van haar vruchtbaarheid had bereikt, onder andere voor Uw spirituele ontwikkeling.

Lieve zus, de Liefde is 'het alomvattend gevoel' bij uitstek: Zij wekt in ons verrukking, zij wekt in ons droefheid, zij wekt in ons pijn op. Zij is echter boven alles de essentie van alles, wat God de ziel kan schenken (namelijk: bron van nieuw Leven) en dient daarom ook als sleutel tot het Rijk der Hemelen. X is in het Hart van God teruggekeerd, omgeven met onuitsprekelijk veel Liefde uit Uw hart, en als getuige van Uw spirituele ontwikkeling. Haar leven is niet voor niets geweest, haar lijden nog minder. U hebt de beide uitersten van de liefdesbeleving mogen ervaren, omdat God daarmee Zijn bedoelingen had. Mag ik U ertoe uitnodigen, samen met mij Uw jaren met X nu nog aan Maria, de Meesteres van alle zielen, toe te wijden, opdat zij de volheid van hun vruchtbaarheid mogen bereiken?


10. Hemelse stelling over het doden van dieren

"(...) In waarheid lijdt de Hemel eronder wanneer dieren worden geslacht voor consumptie. Voorlopig kunnen wij slechts bidden opdat méér zielen zouden inzien hoe zij daadwerkelijk met dieren moeten omgaan. Gods Wet verwacht van de mensenzielen dat zij tegenover de dieren God vertegenwoordigen, door hen Liefde en geborgenheid te schenken, hen bescherming te verlenen en hen met consideratie en respect te behandelen. Doordat ontelbaren de dieren niet zo behandelen, wordt de stroming van de Ware Liefde doorheen de Schepping in hoge mate afgeremd en wordt veel duisternis op de aarde vastgehouden.

De mens behoort de dieren niet te doden. Hoewel God de dieren aan de mensen heeft toevertrouwd, hoort de mens niet te vergeten dat hij niet in de absolute zin heer over de Schepping en de dieren is, maar in werkelijkheid 'huurder' of 'beheerder' van de Schepping, terwijl God Zelf Eigenaar blijft. God heeft weliswaar tot de mens gezegd dat hij 'over de Schepping zou heersen', doch Hij heeft met deze uitspraak nooit bedoeld dat de mens vrij en tegen de Goddelijke Wetten zo over leven en dood van de dieren kan beschikken dat de Schepping daardoor volledig in onevenwicht komt. Wij mogen nooit vergeten dat God de mensenziel de scepter over de Schepping in de hand heeft gegeven... vóór de erfzonde.

Vóór de erfzonde was de mensenziel volkomen heilig, wat betekent dat zij zich precies in overeenstemming met de Goddelijke Wet gedroeg. Vanaf de erfzonde was de mensenziel zeer kwetsbaar en verleidbaar, zodat zij gemakkelijk van Gods Wetten afwijkt. In een dergelijke toestand is het niet meer passend dat de mensenziel in dergelijke mate meesteres over de Schepping zou zijn dat zij vrij over leven en dood van medeschepselen kan beschikken, want zij kan dit eenvoudig niet meer doen met de garantie dat zij precies in overeenstemming is met Gods Wil, en zij derhalve Zijn Werken helpt bevorderen.

Om deze reden kan de mens door de beschikking over leven en dood van dieren in bepaalde gevallen Gods Werken tegenwerken. Wij moeten ons steeds voor ogen houden dat elke ziel slechts op aarde is om zich te heiligen (wat wil zeggen dat zij haar werken tot de hoogst mogelijke vruchtbaarheid voor Gods Werken moet leiden) en Gods Heilsplan te helpen verwezenlijken. Dit alles kan zij slechts doen in de mate waarin zij zich boven de zondigheid weet te verheffen, met andere woorden: in de mate waarin zij zich weet één te maken met Gods Wil.

De overgave aan God is pas volkomen wanneer de mensenziel de dood van elk dier volledig aan God overlaat. De Moeder Gods geeft er ondubbelzinnig de voorkeur aan dat de mensenzielen vurig bidden alvorens zij over leven en dood beslissingen nemen. De mens vergeet al te gemakkelijk, of houdt er meestal nauwelijks rekening mee, dat elk dier binnen Gods Plan een rol te vervullen heeft.

Wanneer dieren voor de mens een gevaar vormen (bijvoorbeeld bij plagen), zou de mens desondanks bij voorkeur in eerste instantie deze bedreigende of schadeverwekkende toestand aan de Moeder Gods moeten toewijden, bidden voor het herstel van het onevenwicht, en eventueel trachten, met behulp van natuurlijke middelen de dieren van zijn leefruimte weg te leiden, in plaats van onmiddellijk te kiezen voor het doden van de dieren.

De mens kan door het kweken het aantal dieren in positieve zin helpen bepalen. In negatieve zin kan de mens hun aantal helpen bepalen door stropen, jacht en economische handelingen (ontbossing enzovoort). Handelingen van de eerste categorie kunnen in bepaalde gevallen door God worden toegelaten. Ik heb het hier niet over de motieven voor het kweken, want wanneer deze louter economisch zijn, is het mogelijk dat God deze niet toejuicht, omdat zij aanleiding kunnen geven tot ondeugden. De handelingen van de tweede categorie kunnen in vele gevallen als ondeugdzaam worden geklasseerd (dit wordt mede bepaald door de hartsgesteldheid die heerst tijdens de handeling). Eens een dier bestaat, bouwt God dit zodanig in Zijn Plan in, dat het een punt (hoe klein het soms ook is) in Zijn net van Liefde wordt. Om deze reden zal de mens die dit punt op eigen initiatief uit dit Goddelijk net van Liefde verwijdert, altijd zijn handeling tegenover God moeten verantwoorden.

De ziel die er rekening mee houdt:

  • dat God de dieren voor bepaalde doeleinden heeft geschapen en dat het leven van elk dier afzonderlijk binnen Gods Plannen en Werken een zin heeft;
  • dat de dieren, evenals de mensenzielen punten in het net van de Goddelijke Liefdesstroom zijn en dat de mate waarin dit net intact wordt gehouden voor een groot gedeelte de mate van Licht en Liefde bepaalt die op de wereld voelbaar wordt, en derhalve eveneens de mate van Geluk en Vrede en – in omgekeerde zin – ook de ellende onder de mensenzielen;
  • dat God van de mensenziel verlangt dat zij liefdevol met de dieren omgaat aangezien deze een onderdeel van de ontwikkeling van de ziel vormen;
  • dat niet de mens maar God in de absolute zin Heer van de Schepping blijft,

zal inzien dat, en waarom, het uit eigen beweging doden van dieren door mensenhand absoluut niet in alle gevallen wordt goedgekeurd. De door God verlangde omgang met dieren is in Zijn Wet van Liefde ingebed, en is eveneens getekend door de inachtneming van Gods Wil. De ziel kan Gods Wil slechts diep in het hart aflezen in de mate waarin zij zich zuiver houdt, dit wil zeggen, in de mate waarin zij zo gewetensvol op God gericht leeft, dat haar hart als een spiegel Gods Licht opvangt.

Wij weten intussen uit de Openbaringen van de Meesteres van alle zielen dat elke ziel uiteindelijk wordt geoordeeld naar de mate waarin zij in haar dagelijkse leven seconde na seconde de Liefde heeft beleefd. U mag nooit vergeten dat de onvoorwaardelijke Liefde tot de dieren door Godzo mogelijk als nog groter wordt beschouwd dan de Liefde tot een medemens, in die zin dat de Liefde tot een medemens gemakkelijker door menselijk opzicht of eigenbelang kan zijn gekleurd dan de Liefde tot een dier. De onvoorwaardelijke Liefde tot een medemens is iets prachtigs, maar in de Liefde tot de dieren moet de mens soms een nog bredere kloof overwinnen. God doorgrondt het hart, en weet altijd wat precies in de liefhebbende ziel omgaat".


Slotoverweging

Reeds de profeet Jesaja sprak over het Messiaans Tijdperk waarin de hele Schepping de volle harmonie terug zal vinden. Deze harmonie was er, tot de erfzonde werd bedreven. Er is slechts één weg terug naar een volkomen harmonie tussen alle schepselen: deze naar een volle bloei van de Ware Liefde in elke mensenziel.

Tot besluit is het daarom zeer toepasselijk, op deze plaats nogmaals te wijzen op de dringende aanbevelingen die de Meesteres van alle zielen ooit gaf met betrekking tot de omgang met dieren zoals God Zelf deze van elke mensenziel verwacht. Precies deze omgang is het, die de zielen naar het Messiaans Tijdperk zal helpen leiden:

  1. Tracht U in elk contact met een dier, in dit wezen in te leven, in alle omstandigheden (koude, hitte, honger, dorst).

  2. Wees U er in elk contact met een dier van bewust dat het om een wezen gaat dat, net zoals U, leeft van Liefde, voortdurend Liefde nodig heeft, naar Liefde verlangt, slechts kan bloeien in de mate waarin het Liefde krijgt, en ook slechts in die mate zelf zijn roeping als knooppunt van Liefde en Vrede ten volle normaal kan ontplooien.

  3. Beschouw voortdurend elk levend wezen als een Werk van Gods Liefde, dat een stofje van Gods Hart in zich draagt. Wees U ervan bewust dat ook dieren die U niet gemakkelijk kunt liefhebben, niet van nature zo waren zoals U ze nu ziet (gevolg van de erfzonde!). Oorspronkelijk was elk dier minzaam. Het ligt in Gods Plan dat dit opnieuw zo moet worden. Zo heeft reeds de profeet Jesaja het voorzien in zijn visioen over het Messiaans Tijdperk.

  4. Benader elk dier alsof het Uw beste vriend was, met ongeremde zelfverloochenende Liefde, geduld, verdraagzaamheid, hulpvaardigheid, begrip.

  5. In de mate waarin méér mensenzielen aan méér dieren méér Liefde betonen, zal de hele Schepping in meer Licht worden gehuld. De essentie van de kwaliteit van het leven in de wereld bestaat uit de mate van Ware Liefde en innerlijke Vrede in de zielen. De mensheid heeft nog veel te weinig begrepen dat de omgang met de dieren één van de grootste factoren is die de kwaliteit van het leven bepaalt. Wie Liefde zaait, oogst Liefde. Wie mishandeling en kilte zaait, oogst duisternis en onvrede. Wie onze wereld en de gesteldheid van vele mensenzielen bekijkt, begrijpt dat een omwenteling dringend noodzakelijk is.

  6. Elke ziel behoort er rekening mee te houden dat de omgang met dieren een belangrijke factor in haar staat van genade en de verwezenlijking van haar Eeuwig Heil vormt. Zielen verdoemen zichzelf niet slechts door een ondeugdzame en liefdeloze omgang met hun medemensen, zij kunnen dit evenzeer doen door een ondeugdzame en liefdeloze omgang met dieren. Zeer weinig zielen weten dit. Precies daartoe worden in deze tijd deze onderrichtingen uit de Hemel zelf aan de zielen geschonken.

Myriam, april 2020