In de loop van 2007 liet de Heilige Maagd Maria Haar Myriam voor het eerst een aantal krachtige Hemelse stellingen in verband met de dieren neerschrijven. In de daaropvolgende jaren bouwde Zij op die uitspraken verder, en in het najaar van 2011 ontsloot Zij in het hart van de slavin van Haar Liefde het buitengewone boek De Beekjes van het Heil. Over de waarde en de rol van de dieren binnen Gods Heilsplan als mystieke motivering voor de liefdevolle omgang met de dieren.
In december 2011 inspireerde de Koningin des Hemels Haar gebedsbloem 1239 (Kettinggebed voor het welzijn van de dieren). Ooit is gebleken dat dit buitengewoon krachtig gebed door sommige zielen niet in de diepte werd begrepen. De Meesteres van alle zielen inspireerde daarom een overzichtelijke toelichting, waarvan Zij in de Vastentijd van 2020, kort na de samenstelling van Haar nieuw menupunt God en de dieren, de publicatie toestaat. Uit deze toelichting blijkt tevens hoezeer Zij in deze gebedsbloem een aantal basisprincipes betreffende de schepping en de indirecte doch zeer belangrijke rol van de dieren in Gods Heilsplan heeft verweven.


TOTUS TUUS, MARIA!

VERSLUIERDE HARTEN

Enkele kernelementen van de Hemelse leerstelling over de omgang
van mensenzielen met hun niet-menselijke medeschepselen

geïnspireerd door de Meesteres van alle zielen

aan Myriam van Nazareth

naar aanleiding van gebedsbloem nr. 1239

God heeft de dieren in wezen om twee redenen geschapen:

  1. als één van de grootste factoren voor de vervolmaking en instandhouding van de vreugde met dewelke Hij de mensenziel zou scheppen. De dieren zouden voor de mensenziel dienen als levende tekenen voor de immense veelzijdigheid en diepte van Gods Liefde voor Zijn hele Schepping in het algemeen, en voor de mensenziel in het bijzonder;
  2. als kanalen van zeer uiteenlopende vervolmaking van de mensenzielen in alle deugden en daardoor in de heiligheid die voor de mensenziel was voorzien. Wegens de enorme veelzijdigheid aan diersoorten, die samen ontelbare verschillende kenmerken te bieden hebben qua uiterlijk en gedragingen, krijgen de mensenzielen hierdoor een buitengewoon rijke schakering aan uitdagingen en aansporingen om hun niet-menselijke medeschepselen te leren benaderen en behandelen in een gesteldheid van volmaakte Liefde in al haar uiteenlopende vormen (zachtmoedigheid, vredelievendheid, verdraagzaamheid, geduld, enz.).

De schepping van de dieren betreft dus in de ware zin van het woord een Goddelijk geschenk. Reeds het Bijbelvers in Genesis, waarin God besluit tot de schepping van de dieren, maakt duidelijk dat Hij de dieren bedoelde als wezens om de mens te helpen: Faciam ei adiutorium simile sui (letterlijk eigenlijk "Ik zal hem een helper maken, die gelijkaardigheid met hem zal hebben"). De Hemelse Meesteres maakt duidelijk dat dit woord van God in de diepte betekent: "Ik zal voor de mens wezens maken die hem (ook spiritueel, want dit was van meet af aan Gods voornaamste zorg) zullen helpen, en die voor hem moeten gelden als medeschepselen, dus wezens die evenals hijzelf dragers zijn van een levenskiem uit Mijn hand", met andere woorden: medeschepselen die eveneens iets van hun Schepper in zich dragen en die voor de mensenziel zullen dienen als helpers voor de instandhouding, respectievelijk het herstel, van haar verbondenheid met God, waarbij deze verbondenheid moet worden begrepen als de heiligheid. Het moge daarom duidelijk zijn dat de Meesteres van alle zielen niet zonder reden aan Haar krachtig manifest uit 2011 de titel gaf (met verwijzing naar de dieren) De Beekjes van het Heil.

Dit Goddelijk geschenk wordt echter dagelijks op deze wereld ontelbare malen onteerd doordat mensenzielen dieren liefdeloos behandelen. Ooit zei de Hemelse Meesteres dat het wereldwijd elke dag opnieuw letterlijk gaat om vele miljoenen overtredingen tegen de Liefde.

Hierdoor wordt duidelijk welk onvoorstelbaar volume aan duisternis dag na dag over de hele wereld wordt ontwikkeld door gebrek aan Liefde in de omgang van mensenzielen met dieren, en in hartsgesteldheden van onverschilligheid, gevoelloosheid en allerlei vormen van negatieve gevoelens jegens dieren. De mensheid getuigt hierdoor in wezen jegens God van een onvermogen, vaak zelfs onwil, om met haar medeschepselen om te gaan in de geest van Gods Hart, en dus tevens van een onvermogen om zich spontaan in te zetten voor de instandhouding van de door God ingestelde harmonie tussen alle schepselen.

Door deze ontelbare dagelijkse overtredingen tegen de Liefde in de omgang van mensenzielen met dieren is de stroming van de Liefde (en dus van het Goddelijk Leven) doorheen het hele netwerk van de Schepping zwaar verstoord. De stroming van de Liefde moet Gods Licht doorheen de verbindingskanalen tussen alle schepselen leiden. De veelvuldigheid aan overtredingen tegen de Liefde betekent dat talloze van deze verbindingskanalen weinig of geen Licht meer doorlaten, waardoor het hele netwerk steeds duisterder wordt.

Het gebed smeekt erom dat de Hemelse Koningin de oneindige macht van Haar volmaakte Liefde zou toevoegen aan elke goede daad en elke handeling van Liefde vanwege alle mensenzielen ter wereld jegens dieren, om aldus een machtig Licht te ontwikkelen dat mensenzielen tot inzicht en bekering moge brengen. Het gecombineerde effect van alle goede daden en handelingen van Liefde vanwege mensenzielen jegens dieren met de oppermachtige Liefde van de Koningin van Hemel en aarde zou een explosie van Licht over de hele Schepping brengen.

In gebed 1239 inspireerde de Meesteres van alle zielen tot tien smekingen, die in wezen alle mogelijke aspecten van duisternis in de omgang van mensenzielen jegens de dieren tot uitdrukking brengen. Precies het geheel van deze tien aspecten maakt deze gebedstekst zonder meer tot een bron van diepe bezinning over de toepassing van de Ware Liefde in de breedste zin van het woord:

  1. Het gebed vraagt om bevrijding van dieren uit de duisternis van mishandeling in welke vorm dan ook door mensenzielen.

De Meesteres van alle zielen geeft aan mishandeling de volgende spirituele omschrijving:

Mishandeling is elke gedraging of elk effect van een gedraging vanwege een mensenziel jegens een medeschepsel, die afwijkt van Gods Wet van Liefde, en waarbij één of meer van de volgende elementen van toepassing zijn:

  • het wezen van dit medeschepsel wordt gebruikt voor een doel waartoe God het niet heeft bestemd;
  • het wezen van het medeschepsel wordt behandeld op een wijze die beoogt dat lijden zou ontstaan of waarvan de mensenziel moet weten dat het bij het medeschepsel lijden kan verwekken;
  • aan het medeschepsel wordt fysieke, morele, geestelijke of spirituele schade toegebracht, of de gedraging kan dergelijke schade tot gevolg hebben;
  • het medeschepsel wordt in zijn waardigheid als schepsel van God geschonden;
  • het medeschepsel wordt gehinderd bij de vervulling van de rol die God voor hem binnen het grote Plan van Zijn Schepping heeft voorzien.

Mishandeling van dieren gebeurt in een afschuwelijke verscheidenheid van vormen, die alle met elkaar gemeen hebben (ik citeer de Koningin des Hemels Zelf) dat zij "door God worden beschouwd als de grootste gruwelen die uit een mensenziel kunnen voortvloeien, daar deze gedragingen uitdrukking geven aan een bewuste gedrevenheid om de waardigheid van een medeschepsel te verwoesten, waarbij deze waardigheid moet worden verstaan als de eigenheid van het schepsel, dat een bepaalde waarde heeft zoals het is, ongeacht zijn specifieke kenmerken, precies omdat het in Gods Intelligentie en Wijsheid is ontstaan om precies zoals het is Zijn Plan met de Schepping te dienen. Elke poging om de waardigheid van een medeschepsel te verwoesten, geldt daarom als een rechtstreekse aanval tegen de Goddelijke Liefde, en dus als een teken van ongeremde dienstbaarheid vanwege de mishandelende mens jegens de duisternis, de absolute tegenpool van de Goddelijke Schepper".

In De Beekjes van het Heil wordt zeer uitvoerig ingegaan op de drijfveren die mensen ertoe aanzetten om dieren te mishandelen, en op de diepe spirituele betekenis ervan. Via het betoog in dat boek laat de Koningin des Hemels aantonen dat, en waarom, mishandeling van dieren in Gods ogen een ernstige zonde is, mede omdat deze handelingen vruchten zijn van een hart dat op diverse wijzen ver van Gods Wet van de Ware Liefde alsook van Gods verwachtingen ten aanzien van de mensenziel – de 'kroon van de Schepping' – is afgedwaald.

  1. Het gebed vraagt om bevrijding van dieren uit de duisternis van verwaarlozing door mensenzielen.

Verwaarlozing is elke nalatigheid van een ziel aan wier hoede een medeschepsel is toevertrouwd, om één of meer behoeften van dit medeschepsel te bevredigen, waardoor dit schepsel fysiek, moreel, geestelijk of spiritueel schade kan lijden.

Verwaarlozing van dieren kan in uiteenlopende vormen gebeuren, die uiteindelijk ontspruiten aan onverschilligheid vanwege de mensenziel ten aanzien van het welzijn van dieren die aan haar zijn toevertrouwd, dus van dieren betreffende dewelke de mensenziel jegens God een verbond heeft gesloten waardoor zij belooft, voor het welzijn van deze dieren te zorgen, niet slechts door het verschaffen van voldoende (en voldoende voedingsrijk) voedsel, vers drinkwater en onderdak dat voldoende beschutting biedt tegen de meest uiteenlopende weersomstandigheden, doch eveneens door een omgang met deze dieren in een gesteldheid van oprechte Liefde, geduld, begrip, verdraagzaamheid, zachtheid, vriendschappelijkheid, hulpvaardigheid, verzorging in de breedste zin van het woord, en oprecht respect voor de waardigheid van de dieren.

Verwaarlozing gaat dus veel verder dan louter het nalaten van – of tekortschieten in – verzorging op het gebied van lichamelijke noden. Dieren hebben evenzeer nood aan oprechte Liefde en oprecht respect als aan voedsel en beschutting. Vele mensenzielen zien over het hoofd dat elk schepsel – niet slechts de mens doch ook elk dier – is geschapen als knooppunt in een netwerk van stromen van Gods Liefde, een netwerk dat ten volle wordt onderhouden door deze liefdesstromen en waarin elk knooppunt (dus elk schepsel) slechts leeft door de kracht van de Liefde die de Schepper ononderbroken doorheen het netwerk stuurt, en dat elke mensenziel als eerste levensopdracht heeft: een vlekkeloze geleider te zijn, die deze liefdesstromen ongehinderd en ongeschonden laat doorstromen naar al haar medeschepselen zonder onderscheid.

Als absoluut tegendeel van verwaarlozing zou men kunnen beschouwen: de omgang met het medeschepsel op een zodanige wijze dat men dit laatste de Liefde laat ervaren die men zelf vanwege medeschepselen zou willen ervaren, en waarbij men het medeschepsel waarlijk het gevoel geeft dat het 'erbij hoort', dat men het waarlijk als een gewenst onderdeel van het eigen leven beschouwt, en dat men het vooral niet beschouwt als een voorwerp, doch als een levend wezen met gevoelens en een van God verkregen waardigheid.

  1. Het gebed vraagt om bevrijding van dieren uit de duisternis van elke vorm van liefdeloos en/of onverschillig gedrag vanwege mensenzielen.

Liefdeloos en onverschillig gedrag komt in vele gevallen reeds tot uiting in allerlei vormen van mishandeling en verwaarlozing.

De Meesteres van alle zielen definieert onverschilligheid als de gesteldheid waarin de ziel niet geneigd is om in haar werken van Liefde boven het 'noodzakelijke' uit te stijgen, en waarbij zij zich niet echt emotioneel bij deze werken betrokken voelt. Onverschilligheid hangt nauw samen met oppervlakkigheid. Wanneer een ziel haar leefwereld en de factoren die deze leefwereld beïnvloeden, op een oppervlakkige wijze waarneemt en slechts aan de oppervlakte begrijpt (dus zonder 'dieptezicht'), zal zij ook emotioneel weinig bij dit alles betrokken raken. Zo komt zij ook niet tot inleving in haar medeschepselen, en zal het lot van haar medeschepselen haar onverschillig laten.

Steeds weer komt het erop neer dat de mensenziel die het leven benadert vanuit een hartsgesteldheid van gevoelsarmoede en gebrek aan inleving in haar medeschepselen, hierdoor als vanzelf haar natuurlijke verplichtingen jegens de Goddelijke Wet van de Liefde begint te verwaarlozen. De Meesteres van alle zielen formuleerde het ooit met deze woorden: "Om waarlijk in volmaakte harmonie te leven met Gods Grondwet, de Wet van de Ware Liefde, zou elke mensenziel al haar medeschepselen, zonder enig onderscheid van soort of ras of welk onderscheid dan ook, in onvoorwaardelijke zelfverloochening moeten benaderen, beschouwen en behandelen als broeders en zussen, in het volle besef dat elk schepsel, net zoals zijzelf, in Gods Hart is ontworpen". De Moeder Gods wijst erop dat slechts deze hartsgesteldheid de mensenziel kan brengen tot oprechte inleving in elk medeschepsel, en dat deze oprechte inleving voor de mensenziel de noodzakelijke voorwaarde vormt om een bruikbare geleider voor Gods Liefde doorheen de Schepping te zijn. De wereld kan onmogelijk uit zijn huidige zware duisternis van chaos, ellende, leed en ongerechtigheid worden bevrijd indien niet door grote aantallen mensenzielen spontaan en van harte een hartsgesteldheid van oprechte diepe inleving met alle medeschepselen wordt beleefd en toegepast.

Zo komt de ziel dan tot zeer oppervlakkige relaties met haar medeschepselen, wat betekent dat God kan oordelen dat zij zelfs geen Liefde heeft verspreid, ondanks het feit dat de ziel zichzelf kan misleiden door – om in de context van deze onderrichting te spreken – te menen dat zij voor God actieve Liefde heeft beleefd omdat zij dieren elementaire verzorging heeft geschonken. Verzorging die niet wordt ondersteund door de doorstroming van Ware Liefde vanuit de kern van het hart naar de betreffende dieren toe, is (ik citeer ook hier de Koningin des Hemels) "voor God vergelijkbaar met een gebed dat wordt uitgesproken zonder gevoel: God hoort dan klanken zonder enige betekenis, zodat naar Zijn oordeel zeer veel zielen, ondanks het feit dat zij ontelbare uren hebben 'gebeden', in wezen nooit een woord tot Hem hebben gesproken. Daarom zal God met recht tot deze zielen zeggen dat Hij hen nooit heeft gehoord noch gekend".

  1. Het gebed vraagt om bevrijding van dieren uit de duisternis van elk materialistisch gedrag vanwege mensenzielen.

Materialisme is de levensgesteldheid in dewelke een mensenziel vrijwel al haar inspanningen richt op de bevrediging van de (vermeende) behoeften van haar stoffelijk leven, waarbij deze jacht niet ophoudt wanneer deze behoeften in zoverre zijn bevredigd dat het levensnoodzakelijke is gedekt. Vaak ervaart de materialistische mens dingen die hij wil bezitten of wil beleven als concrete behoeften, terwijl hij deze in feite niet nodig heeft om te leven. Daarom gaat materialisme doorgaans gepaard met een koortsachtig najagen van de bevrediging van schijnbehoeften, een jacht die onvermijdelijk het zaad van een blijvende spanning en ontevredenheid in de ziel zaait en tevens de deur opent naar gesteldheden zoals jaloersheid, nijd en na-ijver.

De oriëntatie op het verwerven van materiële bezittingen en genoegens die rechtstreeks verband houden met het leven in een stoffelijk lichaam, verbant in de geest en het hart van de materialistische mens doorgaans elke oriëntatie op behoeften van de ziel. Het verschil is, dat de (vermeende) behoeften van het lichaam uitsluitend verband houden met voorwerpen en belevingen in het kader van de vergankelijke wereld, terwijl de behoeften van de ziel verband houden met het Leven na de dood van het stoffelijk lichaam en met de betrachting om de gesteldheid te verwezenlijken, die God als basisbehoefte in de kern van de ziel heeft gelegd, namelijk de gesteldheid van de ware heiligheid, de volledige ontplooiing van het vermogen om voor God en voor de hele Schepping vruchtbaar te zijn door alle doen en laten, alle woorden, alle gedachten, alle gevoelens, alle verlangens en bestrevingen te vervullen met ware, zelfverloochenende Liefde.

De materialistische mens is in zijn zielsleven ver afgedreven van de ware bedoeling en zin van het leven op aarde: De ware zin en bedoeling van het leven op aarde ligt in het nastreven van ware vruchtbaarheid in de persoonlijke bijdrage tot de voltooiing van Gods Plannen en Werken. Elke oriëntatie van handelingen, gedachten, gevoelens en bestrevingen op het verwerven van materiële bezittingen en van belevingen die verband houden met het leven van het lichaam, terwijl de ware noden van de ziel worden verwaarloosd, maakt een mensenleven volkomen nutteloos en zinloos als werktuig in Gods hand.

De materialistisch gezinde mens neigt er automatisch toe, bij vele gelegenheden, vaak zelfs ononderbroken, zijn medeschepselen te beschouwen en te gebruiken als voorwerpen in dienst van de verwezenlijking van zijn eigen verwachtingen en voorstellingen. In deze gesteldheid worden wereldwijd op grote schaal ook dieren misbruikt: Zij worden louter beschouwd als werkdieren, lastdieren, als het ware 'levende machines' die nergens anders toe dienen dan om de bezitter van het dier te verrijken of hem financieel gewin te helpen verwezenlijken. Dieren mogen worden ingezet als hulp, bijvoorbeeld op veld of akker, doch zodra dit ten koste gaat van het welzijn van het dier (slechte voorwaarden van voeding, verzorging, rust, behandeling, en vooral gebrek aan zachtheid, geduld en oprechte Liefde), is in Gods ogen sprake van ondeugd, en bij herhaling van deze toestand: van zonde.

Geen enkel dier heeft van God het leven op aarde gekregen om door mensen op enige gevoelsarme wijze te worden gebruikt als voorwerp of als een 'levende machine'. De mens die met een dier in contact komt, en zeker in de context van een werkverhouding (bijvoorbeeld in landbouw, bosbouw of industrie), draagt jegens God de verplichting, dit dier van harte en met oprechte Liefde te verzorgen, er met gevoel en vriendschappelijk mee om te gaan, en zijn hart te openen voor elke les die het dier hem voor zijn spirituele ontplooiing kan leren.

Een domein waarop eveneens sprake is van materialisme dat dieren tot slachtoffers maakt, is de jacht uit winstbejag. Denken wij hierbij onder meer aan de duivelse praktijken in het kader van de jacht op olifanten en neushoorns om deze te beroven van het ivoor of de hoorns, die tegen vaak hoge prijzen wordt verkocht, terwijl de dieren wie de slagtanden of hoorns toebehoorden, zonder enige aarzeling worden gedood, en als bijkomend gevolg bovendien de kudde tot dewelke de betreffende dieren behoorden, wordt verstoord. Ook dit is een vorm van ontregeling van een door God voorziene leefgemeenschap die door de mens wordt verwoest omdat laatstgenoemde vergankelijke stoffelijke (financiële) belangen belangrijker heeft geacht dan de Liefde, die nochtans de enige bron van alle leven is, met inbegrip van het leven van de betreffende mens zelf.

De Moeder Gods laat in verband met het materialisme ten nadele van dieren ook wijzen op alle vormen van handel in dieren. Geen enkele mensenziel is in de ware zin van het woord eigenares van een dier. De enige eigenaar van een schepsel is God, Die elk schepsel heeft ontworpen en het leven instort. De mens krijgt van God kansen om bepaalde medeschepselen op zijn levensweg te ontmoeten, en met bepaalde van deze schepselen een langer durende relatie aan te gaan. In geen enkel geval bezit een mensenziel ooit een dier. Daarom is handel met dieren in spiritueel opzicht niet aan te bevelen. Gebeurt dit in een context van oprecht vlekkeloze verzorging, Liefde en respect jegens het dier, dan is geen sprake van zonde. Zonde wordt een commerciële handeling met dieren wel zodra van Gods verwachtingen van vlekkeloze hoede, verzorging, Liefde en respect jegens de betrokken dieren wordt afgeweken.

De Koningin des Hemels adviseert met grote klem dat mensenzielen om zich heen zouden kijken en vanuit de kern van hun hart zouden vaststellen of in hun leefomgeving dieren leven die hulp of verzorging nodig hebben (zwerfkatten, zwerfhonden, vogels...). In Gods ogen is het een verdienstelijke handeling van Liefde wanneer een mensenziel zich voor in het wild levende dieren inzet met bevoorrading aan voedsel, en indien nodig vers drinkwater en/of enige vorm van beschutting, of indien mogelijk, dat een dier de gelegenheid zou krijgen om, in volle vrijheid en dus zonder dwang, in huis te worden opgenomen om daar zijn levensweg verder te zetten in een relatie van oprechte Liefde en verzorging vanwege de mensenziel die het in huis heeft genomen.

  1. Het gebed vraagt om barmhartigheid jegens dieren die door mensenzielen in de steek worden gelaten of worden verstoten.

God geeft elke mensenziel kans op kans om heilige verbonden te sluiten en in het kader van deze verbonden tot steeds hogere graden van spirituele ontwikkeling te komen. Een verbond is een stilzwijgende overeenkomst die de mensenziel in haar hart jegens God sluit, en waarbij zij Hem bijzondere vormen van inzet belooft in het kader van de opdracht die zij als mensenziel in dit leven heeft, namelijk een bruikbaar en betrouwbaar werktuig te zijn dat door God kan worden ingezet voor de verwezenlijking van Zijn Plannen en Werken.

Verbonden kunnen vele vormen aannemen. Voorbeelden zijn het huwelijk, het priesterschap, de hoede over kinderen, en ook de hoede en verzorging jegens één of meer dieren. Een mens die een dier tot huisdier neemt, gaat jegens God het verbond aan om dit dier alle verzorging te geven die het nodig heeft om een gezond leven te leiden: voldoende vers en voedingsrijk voedsel en vers water op geregelde tijdstippen, voldoende bescherming en beschutting tegen gevaren en tegen omstandigheden die het dier kunnen schaden of benadelen, voldoende rust, ononderbroken oprechte Liefde, zachtheid en onbeperkt respect voor de waardigheid van het dier, en dit alles bovendien voor eventuele nakomelingen (jongen) van het dier.

De mens maakt zich jegens God schuldig aan het verbreken van dit heilig verbond zodra hij één van deze aspecten verwaarloost én zodra hij een dier in de steek laat, verstoot, uitzet (dit wil zeggen: op een plaats buiten het gebruikelijke thuis achterlaat met de bedoeling dat het niet langer deel zou uitmaken van het leven van diegene die het dier onder zijn hoede heeft gekregen, en dat het dier vanaf dat ogenblik zonder tussenkomst en zorg vanwege de 'bezitter' zelf voor de bevrediging van zijn levensbehoeften zou zorgen). Een dier in de steek laten of verstoten, komt neer op een verklaring jegens God met de woorden "Ik wil dit geschenk van Uw Liefde niet langer. Het is niet langer mijn zorg, wat ermee gebeurt". Dit is zonder meer een stelling van liefdeloosheid en onverschilligheid. De enige wijze om in overeenstemming met Gods wensen de hoede over een dier te beëindigen, is deze, waarbij de hoeder het dier toevertrouwt aan een medemens, van wie hij absoluut zeker weet dat deze het dier zal verzorgen, behoeden en met vlekkeloze Liefde en respect zal behandelen. De mens moet echter ook in dit geval beseffen dat God de daad van afstand-doen van het dier beoordeelt volgens datgene wat zich waarlijk afspeelt in het hart van diegene die de hoede over het dier aan een medemens overdraagt.

De Koningin van Hemel en aarde laat er bovendien met klem op wijzen dat het in Gods ogen een ernstige zonde is (wegens de open demonstratie van onverschilligheid en liefdeloosheid die wordt gesteld door diegene die het doet), wanneer een dier wordt uitgezet in een leefomgeving, in natuurlijke omstandigheden of in weersgesteldheden waarvan de uitzetter weet, of minstens behoort te weten, dat deze het dier leed zullen of kunnen berokkenen, bijvoorbeeld uitzetting in woestijn of steppe, in een besneeuwd landschap, in regen, onweer of storm, op grote afstand van menselijke bewoning (tenzij het om een dier gaat dat van nature bijvoorbeeld in het regenwoud leeft), of – wat nóg erger is – wanneer het dier wordt vastgebonden, in doornen of struikgewas wordt vastgezet, in een gesloten zak of doos wordt neergezet, in het water wordt geworpen enzovoort. Dergelijke handelingen gaan uit van een hart dat in diepe duisternis is gehuld doordat de Liefde er zwaar verziekt is, en injecteren deze duisternis in het hele netwerk van de Schepping.

De Moeder Gods blijft benadrukken welke verregaande consequenties elke duistere hartsgesteldheid voor de hele Schepping heeft. Elke gesteldheid en handeling jegens een dier die duisternis in zich draagt, vergroot bovendien het wantrouwen en de agressie van dieren jegens de mens. Dit alleen reeds is een zware blaam, een getuigenis tegen de mensenziel als kroon op de Schepping. De mensenziel, die door God werd bekleed met een heiligheid – dit wil in wezen zeggen: een zodanig volmaakte Liefde! – die haar in staat zou stellen om in de harten van alle dieren de gewaarwording van Gods Tegenwoordigheid te wekken, wekt integendeel bij zeer veel dieren wantrouwen en gevoelens van bedreiging.

  1. Het gebed vraagt om barmhartigheid jegens dieren die door de schuld van mensenzielen te weinig voedsel hebben.

Ware zorg en Liefde voor een dier veronderstelt kennis van – en belangstelling voor – wat dit dier nodig heeft om te leven. Dit vergt ook voldoende inlevingsvermogen, gevoel en oprechte zorg voor het welzijn van het dier. Een voorbeeld: Soms worden honden 'verzorgd en gevoed' door hen in een hok of op een lapje grond op te sluiten en hen daar dagelijks een brood, of een gedeelte van een brood, toe te werpen, zonder meer. De 'hoeder' overtuigt zichzelf ervan, dat de toegeworpen hoeveelheid volstaat om de hond een dag in leven te houden, doch staat er geen ogenblik bij stil dat het lichaam van een dier niet slechts behoefte heeft aan een welbepaalde hoeveelheid voedsel doch ook aan voldoende variatie om alle lichaamsfuncties en lichaamsweefsels gezond te houden.

Dieren die onder de hoede van een mens staan, zijn van deze mens afhankelijk om hun behoefte aan voeding gedekt te krijgen. Dit schept voor de betreffende mens een ononderbroken verantwoordelijkheid: Een ziel die zich constant laat drijven door de oprechte behoefte om ware, zelfverloochenende Liefde te beleven, zal geen rust kennen zolang zij niet zeker is dat elk medeschepsel dat aan haar hoede is toevertrouwd, zich goed voelt. Dit 'goed voelen' betekent dat aan dit medeschepsel voedsel ter beschikking wordt gesteld in hoeveelheden, in een variatie en in een frequentie die waarborgen dat het lichamelijk welzijn in stand kan worden gehouden, dat eventuele ziekte of ontregeling genezen kan worden, en dat het schepsel bovendien een oprechte Liefde ontvangt die het in staat stelt om zich op een gezonde wijze te ontplooien en emotioneel in evenwicht te blijven. Het schepsel moet zich in elk mogelijk opzicht goed, geborgen en geliefd kunnen voelen bij de mens aan wie het is toevertrouwd.

Het is van groot belang, te beseffen dat de verantwoordelijkheid van de mensenziel als kroon op de Schepping jegens de dieren niet ophoudt bij de verantwoordelijkheid voor huisdieren of lastdieren die aan haar hoede zijn toevertrouwd. In Gods ogen is elke mensenziel mede verantwoordelijk voor het welzijn van alle dieren, wat betekent dat een mensenziel met een ontwikkelde zelfverloochenende Liefde zich bijvoorbeeld automatisch de vraag stelt of in de winter de vogels of rondzwervende dieren in haar omgeving voldoende te eten vinden. De mens kan zich bevoorraden in winkels, dieren kunnen dit niet. Door te zorgen dat zij dieren kan laten delen in voedsel dat bij hun noden is aangepast, komt de mensenziel tegemoet aan de elementaire verwachting van haar Schepper dat elke mensenziel spontaan en van harte verlangt, ertoe bij te dragen dat elk medeschepsel de levensopdracht kan vervullen, met dewelke het in de wereld is gezonden. Een dier dat verhongert of ziek wordt van ontbering of ondervoeding omdat mensenzielen niet hebben bijgedragen tot zijn voeding, kan zijn levensopdracht niet vervullen, en de mensenziel die dit had kunnen helpen verhinderen, kan – aldus de Koningin des Hemels – door God worden beschouwd als in gebreke blijvend in de Ware Liefde of ten minste als onvoldoende verlangend naar het herstel van de volmaakte harmonie binnen de Schepping.

  1. Het gebed vraagt om bevrijding van dieren die slachtoffer zijn van ontwaardigende experimenten en andere ontwaardigende handelingen door mensenzielen.

Over de hele wereld worden dagelijks miljoenen experimenten uitgevoerd op dieren, zogenaamd om kennis te verwerven over de reacties van stoffelijke lichamen op bepaalde stoffen, op bepaalde omstandigheden of toestanden, enzovoort. De uiteindelijke doelstelling bestaat zogenaamd hierin, via vaststellingen bij dieren kennis te verwerven over de doeltreffendheid, of omgekeerd over mogelijke risico’s en gevaren, van bepaalde stoffen wanneer deze zouden worden gebruikt door mensen.

Nog afgezien van het feit dat een menselijk lichaam en de reacties binnen dit lichaam niet in elk opzicht kunnen worden vergeleken met het lichaam van een dier en de reacties binnen dit lichaam, worden door deze onderzoeken veel dieren blootgesteld aan lijden, ziekte en zelfs dood. De mens maakt zichzelf hierdoor tot heer over leven en dood, en over het welzijn en de kwaliteit van het leven van medeschepselen. De Schepper heeft geen enkel dier gemaakt met de bedoeling dat het door mensenzielen zou worden gebruikt voor experimenten, onderzoeken en andere handelingen die buiten de normale, natuurlijke ervaringen staan die dit dier in zijn natuurlijk leven zou opdoen.

De vele duizenden dieren die wereldwijd door de wetenschap worden ingezet voor onderzoek op lichamelijke, maar ook op psychologische en emotionele reacties, worden hierdoor door mensenzielen uit hun natuurlijk leven weggeleid. Onder 'natuurlijk leven' moeten wij daarbij verstaan: het leven dat deze dieren zouden leiden indien er geen menselijke tussenkomst in hun leven zou zijn. Hieruit blijkt, hoe belangrijk het voor een harmonieuze ontwikkeling van de Schepping is, dat elk schepsel zijn leven kan leiden met de eigen vrije wil als motor voor alle handelingen, gedachten, woorden en bestrevingen. Precies omdat dit zo belangrijk is voor een normale ontwikkeling van de Schepping, grijpt God niet ongevraagd in op de vrije wil van schepselen.

Een tweede reden ligt in het feit dat, specifiek wat de mensenziel betreft, God slechts de waarde van een mensenleven voor de verwezenlijking van Zijn Heilsplan kan vaststellen in de mate waarin de ziel al haar doen en laten en haar innerlijke gesteldheden richting geeft door haar eigen vrije wil: Een ziel die volledig vrij bepaalt hoe zij met alles in haar dagelijks leven omgaat, toont daardoor precies hoe haar hart is gericht en in welke mate zij haar doen en laten afstemt op de vervulling van Gods Wet. Iets gelijkaardigs geldt voor de dieren in deze zin, dat ook zij hun gedrag vrij moeten kunnen bepalen teneinde hun rol als 'beekjes van Heil' of als 'kleine leraren' naar de mensenziel toe onbelemmerd en spontaan te kunnen vervullen.

Specifiek met betrekking tot het ontwaardigen van dieren laat de Moeder Gods erop wijzen dat dieren veel meer aanvoelen dan mensen beseffen, en dat het mede daardoor een negatieve uitwerking op de hele Schepping heeft wanneer mensenzielen bijvoorbeeld dieren bespotten op grond van bepaalde kenmerken die bij sommige mensen overkomen als lachwekkend, bespottelijk, minderwaardig enzovoort. Een mensenziel die in alle ernst doordrongen is van het feit dat elk dier is ontworpen door Gods Wijsheid met een doel dat verband houdt met Zijn alles overtreffende intenties en niet opdat mensenzielen dit schepsel tot voorwerp van spot zouden maken, brengt voldoende spontaan respect voor elk medeschepsel op om geen enkel dier van zijn waardigheid te beroven.

  1. Het gebed vraagt om bevrijding van dieren die slachtoffer zijn van stroperij door mensenzielen.

Stroperij is een handeling waarbij dieren zwaar leed wordt aangedaan via toestellen waarin deze dieren gevangen worden zonder dat op dat ogenblik een mensenziel fysiek aanwezig hoeft te zijn. Stroperij vormt, naast het leed dat bewust wordt aangedaan, een extra zonde omdat het dier vaak bovendien wordt misleid door het voor te spiegelen dat het op de plaats waar de val verscholen zit, voedsel kan vinden. Het hongerig dier tracht zijn levensnoodzakelijke behoefte te bevredigen, doch wordt in tegendeel tot slachtoffer gemaakt van gruwelijke kwellingen met de dood tot gevolg.

Stroperij is absoluut onverenigbaar met Gods verwachting van de mensenziel, dat deze Zijn volmaakte Liefde voelbaar zou maken jegens al haar medeschepselen. Een medeschepsel in volle bewustzijn van het leed dat zal worden veroorzaakt, door listig misbruik van diens meest elementaire levensbehoefte (voedsel) blootstellen aan de dood na een gruwelijk lichamelijk en emotioneel leed, bovendien met de bedoeling om een eigen behoefte te bevredigen, is een zeer lage vorm van zelfzucht.

Stroperij is een heel aparte uiting van de gesteldheid door dewelke de mens zich tot heer over leven en dood maakt. Deze misdaad ligt mede aan de basis van de uitroeiing van hele diersoorten, waardoor de mensheid zich zwaar schuldig heeft gemaakt, en nog maakt, aan verwoesting van hele sectoren van Gods Schepping, die met oneindige Liefde, Wijsheid en Intelligentie is gemaakt met één enkel doel: het volmaakt Geluk van elk schepsel op aarde. Stroperij is één van de meest onbeschaamde getuigenissen door dewelke de mensenziel de God van Liefde te kennen geeft dat zij niets geeft om Zijn Werken, doch uitsluitend bezorgd is om haar eigen vergankelijke behoeften, en zelfs bereid is om aan haar medeschepselen zwaar leed aan te richten en de Liefde te kwellen en te doden in bepaalde van haar vele uitingen.

  1. Het gebed vraagt om bevrijding van dieren die slachtoffer zijn van uitbuiting voor menselijk vermaak, in sport of voor welk winstgevend doel dan ook.

Uitbuiting is een handeling of een systeem van herhaalde handelingen, gewoonlijk in het kader van een werkrelatie tussen één of meer mensenzielen enerzijds en medeschepselen anderzijds, waarbij de eerstgenoemden dwang uitoefenen op de laatstgenoemden, opdat deze door bepaalde prestaties een zekere winst of voordeel zouden opleveren ten bate van de eerstgenoemden, zonder dat de laatstgenoemden hiervoor op een billijke wijze worden vergoed.

Uitbuiting gebeurt systematisch in het kader van slavernij in de meest uiteenlopende vormen, met inbegrip van de dwangarbeid als strafmaatregel in het kader van politieke regimes die gevangenen systematisch onderwerpen aan een (vaak langdurige) arbeidsrelatie in werkkampen. Deze vorm van uitbuiting behelst de gebruikmaking van de lichaamskracht van arbeiders die op kracht van bepaalde wetten onder strafrechtelijke vervolging zijn geplaatst, ter verrijking van personen, organisaties en overheden die economisch en/of politiek machtiger zijn dan de vervolgden. Het basiskenmerk is dus steeds de (doorgaans verregaande, vaak ronduit onbeperkte) gebruikmaking van de arbeidskracht van een medemens, die niet wordt vergoed in verhouding tot zijn prestaties: Vaak bestaat de enige vergoeding uit een nauwelijks toereikend voedselregime.

Uitbuiting gebeurt in deze wereld niet slechts vanwege mensen jegens mensen, doch eveneens vanwege mensen jegens dieren. In bepaalde gevallen worden dieren uitgebuit in het kader van landbouw, bosbouw of industrie, in andere gevallen voor menselijk vermaak (slechte, respectievelijk eerder gevoelloze, behandeling van dieren in bepaalde circussen en gelijkaardige amusementsmilieus), in nog andere gevallen in sportmilieus (grootschalige toepassing van doping bij renpaarden, enzovoort). Breed genomen kan zelfs jacht op dieren onder uitbuiting vallen. De Koningin des Hemels zei ooit dat jacht bovendien in de meeste gevallen afkeurenswaardig is indien, bijvoorbeeld, mensen deze beoefenen als een 'sport', waarbij zij zich beijveren om méér dieren te doden dan andere mensen met wie zij op jacht gaan. Levende wezens (dragers en kanalen van Gods Liefde!) worden van het leven beroofd door mensen bij wijze van 'vermaak' en/of om een zekere kundigheid te bewijzen.

De rode draad die doorheen alle toestanden van uitbuiting van dieren of vermaak ten koste van dieren loopt, is deze: Dieren worden niet benaderd in het kader van een vriendschappelijke relatie gekenmerkt door oprecht medevoelen, volledig respect, inleving, en oprechte bekommernis om hun welzijn, doch louter met de bestreving dat de dieren hun 'behoeder' (materieel, dit wil zeggen: financieel) baat zou brengen of bepaalde mensenzielen zou 'vermaken' ten koste van veel leed bij de betrokken dieren. Deze relatie wordt dan zonder meer verbroken indien het dier niet aan de materiële verwachtingen van de 'behoeder' voldoet. Jegens God geldt dit als het verbreken van een verbond van zorg, hoede en Liefde vanwege de mensenziel jegens het dier als werktuig tot bevordering van de voltooiing van Zijn Heilsplan.

  1. Het gebed vraagt om barmhartigheid jegens dieren die slachtoffer zijn van verdrijving uit hun natuurlijk leefmilieu om welke menselijke reden dan ook.

God heeft elk dier geschapen om te zijn zoals het is, omdat het in die hoedanigheden een specifieke rol kan spelen in de vervulling van Zijn Heilsplan. Zoals de Meesteres van alle zielen reeds op diverse punten in Haar onderrichtingen heeft aangetoond, ligt de spirituele rol van de miljarden dieren op deze wereld eigenlijk in de reacties van de mensenzielen die met hen in contact komen, in de wijze waarop deze mensenzielen met hen omgaan.

Elk dier wordt geboren en leeft binnen een bepaald natuurlijk leefmilieu omdat het dat specifiek leefmilieu nodig heeft om het soort leven te leiden dat voor zijn soort is voorzien (bos, grasland, waterland, steppe, gebergte, enzovoort). Op talloze plaatsen ter wereld worden natuurlijke leefmilieus van dieren volledig verstoord – en geregeld helemaal verwoest – ter wille van de verwezenlijking van economische doelstellingen van de mens (industrie, woning- en wegenbouw, ontbossing, drooglegging van moerassen, enzovoort). Hierdoor verliezen jaarlijks miljoenen dieren hun natuurlijke woonplaats, waardoor velen ook voortijdig de dood vinden.

De Koningin des Hemels wijst erop, dat de invloed van deze ontwikkelingen in het milieu zowel via ontbossing en andere veranderingen in het leefmilieu als via de sterke verschuivingen hierdoor in de dierenwereld, veel groter is dan de mens zich kan voorstellen. Zij heeft het daarbij over de spirituele invloed, de invloed op de ontwikkeling van Gods Heilsplan, een invloed die op geen enkele wijze kan worden gemeten noch wetenschappelijk kan worden vastgesteld en daarom ook op grote schaal over het hoofd wordt gezien. Zij noemt deze verschuivingen daarom 'een sluipend gif voor de staat van genade van de mensheid als geheel'.

De Moeder Gods laat erop wijzen dat verdrijving van dieren uit hun natuurlijk leefmilieu ook via nog andere wegen gebeurt, die in bepaalde gevallen zo mogelijk nog méér worden genegeerd, onder andere via zware geluidshinder (openluchtconcerten, industrie, luchthavens e.d.), via menselijke handelingen die dieren afschrikken (onder andere vuurwerk, experimentele explosies e.d.), via branden die hetzij opzettelijk worden gesticht hetzij door menselijke onvoorzichtigheid ontstaan (wij hoeven slechts te denken aan de rampzalig uitgebreide branden in Australië in 2019-2020, waarbij massaal dieren het leven verloren of hun natuurlijk woongebied door vuur verwoest zagen worden), via verontreiniging van gronden, de lucht, en rivier- en zeewater, enzovoort.


In wezen vatten de tien punten van gebed 1239 de meest uiteenlopende afwijkingen van de Wet van de Ware Liefde samen, overtredingen die door de Hemelse Koningin werden geïnspireerd en uitgediept in verband met tekortkomingen van mensenzielen in hun gedrag jegens de dieren, doch die uiteindelijk elke individuele mensenziel eveneens een alomvattende kijk verschaffen op de mate waarin zij al dan niet tekortschiet in Liefde jegens al haar medeschepselen, de medemens inbegrepen.

Een essentiële les die de Moeder Gods in dit gebed en deze onderrichting wil leggen, is deze, dat de mensenziel met de grootste dringendheid moet beginnen te beseffen welke immense verantwoordelijkheid op elke mensenziel rust in verband met de instandhouding, respectievelijk het herstellen, van de volmaakte harmonie en de Ware Vrede in de hele Schepping, en in welke onvermoed hoge mate de mens zelf wegens de miljoenen overtredingen die wereldwijd dagelijks tegen de Wet van de ware, zelfverloochenende Liefde worden begaan, verantwoordelijk is voor:
  • alle chaos, ellende, leed en ongerechtigheid in de hele wereld;
  • alle leed in de dierenwereld;
  • alle wantrouwen en agressie tussen de dieren, én van dieren uit naar de mens.

De Meesteres van alle zielen stelt met grote nadruk dat van nature noch tussen de diersoorten onderling noch vanwege dieren jegens de mens enige agressie bestaat, want dat de God van volmaakte Liefde en Vrede geen enkel schepsel heeft uitgerust met enige neiging tot agressie. Op het internet circuleren zeer vele gefilmde bewijzen voor het feit dat dieren van de meest uiteenlopende soorten, ook soorten waarvan de mens meent dat deze 'elkaar van nature vijandig gezind zijn', in ware vriendschappelijkheid kunnen samenleven. Deze vele bewijzen vormen niets minder dan voorafbeeldingen van het beloofde Messiaans Tijdperk, het tijdperk van de volmaakte harmonie, Vrede en Liefde tussen alle schepselen, wat wij intussen kennen als 'het Rijk Gods op aarde'.

Alle agressie, roofzucht, angst, vijandigheid en wantrouwen zijn in de Schepping geslopen als gevolgen van de erfzonde die door de eerste mensenzielen is bedreven, en waarvan de effecten verder aanhoudend zijn versterkt door ontelbare miljarden overtredingen tegen de Wet van de Liefde, eveneens bedreven door de mensenzielen van de hele wereld doorheen alle eeuwen. Elk van deze overtredingen staat gelijk met een injectie van duisternis in het netwerk van de Schepping, en heeft bijgedragen tot een atmosfeer van beklemming, bedreiging en wantrouwen, ook onder de dieren tegen de mensenziel, daar de dieren – waarvan vele soorten een immens vermogen tot intuïtief aanvoelen bezitten – de mensenziel niet meer kunnen aanvoelen als het wezen dat God (= de absolute Liefde) in de Schepping vertegenwoordigt, en zij daarom de mensenziel niet langer aanvoelen als een bron van geborgenheid en vriendschap, doch als een bron van bedreiging en vijandschap. Dit is zonder meer de grootste blaam die de mensenziel door haar zondigheid over zich heeft getrokken, want het vormt het levend bewijs voor het feit dat de mensenziel de verwachtingen van haar Schepper ten aanzien van haar heiligheid en zuiverheid grondig heeft beschaamd.

De Koningin des Hemels waarschuwt in Haar hoedanigheid als de Meesteres van alle zielen sedert lange tijd voor de gesel van het materialisme in de moderne wereld, waarbij de mensenzielen hun eeuwige Bestemming totaal negeren, versmaden of ronduit uit hun denken en streven hebben verwijderd, en waarbij de beleving van de zelfverloochenende Liefde voor de voltooiing van Gods Werken en Plannen en ten dienste van alle medeschepselen, op grote schaal radicaal naar het achterplan wordt verwezen ten bate van het nastreven van maximale winsten voor het stoffelijk leven (geld en alles wat in deze wereld in ruil voor geld kan worden bekomen). Binnen een dergelijke levensfilosofie en wereldbeeld hoeft het niet te verwonderen dat mensen schaamteloos en gevoelloos medeschepselen uitbuiten en dat dieren – die gewoonlijk geen tastbaar stoffelijk nut opleveren – als (nutteloze, waardeloze) voorwerpen worden behandeld en zonder enig bezwaar en zonder enig gevoel worden verdreven, mishandeld, gedood, en op de meest uiteenlopende wijze worden versmaad als geschenken van Gods Liefde met het oog op hun Geluk op aarde en hun Eeuwig Heil na hun aardse leven.

Zoals reeds gesteld, wijst gebed 1239 erop dat alle ellende in de wereld haar oorsprong vindt in de talloze uitingen van gebrek aan Liefde van mensenzielen, niet slechts onder elkaar – denken wij slechts aan de ontelbare uitingen van onvrede, gaande van de vele vormen van agressie tot en met oorlogen – doch eveneens jegens de dieren. Een zeer groot gedeelte van de ellende op deze wereld, aldus de Koningin des Hemels, zou reeds verdwijnen door een radicale bekering van mensenzielen naar een ware beleving van oprechte Liefde naar de dieren toe, en door een veel groter besef van de waarde die elk dier heeft, zowel als een element binnen Gods Werken als voor de innerlijke Vrede en het Geluk van elke mensenziel zelf.

Elk liefdeloos gedrag jegens een medeschepsel is een toegeving aan een bekoring. Bekoring is elke inspiratie vanwege de duisternis in het hart of de geest van een mensenziel met de bedoeling dat deze ziel handelingen zou stellen of gedachten, gevoelens of verlangens zou koesteren, die niet verenigbaar zijn met de ware zin van het leven, namelijk de levensopdracht van elke mensenziel, Gods Werken en Plannen te helpen vervullen. Een bekoring is er daarom steeds op gericht dat de bekoorde ziel zich met haar hele wezen zou lenen tot vervulling van de plannen der duisternis en tot schending, vertraging of zo mogelijk vernietiging van uitingen van Gods Tegenwoordigheid en werking in de Schepping.

Liefdeloos gedrag heeft in wezen vaak te maken met zelfzucht. Ware Liefde is namelijk een gesteldheid in dewelke de ziel zichzelf en alles wat zij aanvoelt als eigen behoeften en belangen, verloochent tot zij ervan doordrongen is dat het welzijn van haar medeschepselen verzekerd is en dat de levensnoodzakelijke behoeften van deze laatsten in voldoende mate worden bevredigd. Concreet betekent dit, dat de ziel het welzijn van haar medeschepselen voorrang geeft op haar eigen welzijn. Zelfverloochening is de machtigste bron van Licht en Geluk die evenzeer diegene vervullen, die zichzelf verloochent, als diegenen die de begunstigden van deze zelfverloochening zijn. Het absolute tegendeel is zelfzucht, de gesteldheid waarin de ziel haar hele doen en laten, denken, voelen en verlangen afstemt op de bevrediging van haar eigen behoeften en belangen en/of van de behoeften en belangen die zij meent te hebben.

Zelfzucht leidt automatisch tot een (doorgaans hoge) mate van onverschilligheid ten aanzien van het welzijn van medeschepselen, daar de leefwereld van de zelfzuchtige ziel zich als het ware beperkt tot haar eigen wezen, haar eigen gevoelens, verwachtingen en voorstellingen: Elk gevoel jegens medeschepselen wordt niet gevoed, daar de zelfzuchtige ziel zich een eigen leefwereld maakt waarin zij als enige leeft, heerst en moet worden gediend en bevredigd. Alle medeschepselen worden daardoor gedegradeerd tot dienaren, zelfs tot werktuigen ter bevrediging van de eigen belangen en voorstellingen. Een werktuig is echter een levenloos en dus gevoelloos voorwerp, in tegenstelling tot een schepsel, dat is bezield met leven en daardoor met de basisuiting van Gods Liefde en is uitgerust met een Goddelijke bedoeling binnen de voltooiing van Zijn Schepping als het grootste van Zijn Werken. Een mensenziel die leeft met zelfzucht als basisdrijfveer, kijkt niet naar haar medeschepsel om het te kunnen dienen, helpen en liefhebben, doch om het te kunnen gebruiken, het eventueel zonder enig gevoel van de eigen levensweg te verstoten omdat het een mogelijke concurrent is voor de bevrediging van haar eigen behoeften, en het desnoods zonder meer te doden. Vanuit de zelfzucht als drijfveer is het slechts een kleine stap naar allerlei vormen van misbruik en mishandeling, want de zelfzuchtige ziel wil zich tot elke prijs boven haar medeschepselen verheven voelen.

God maakt steeds ontwerpen, doch wil voor de voltooiing van deze ontwerpen steeds de vrijwillige medewerking van de kroon van Zijn Schepping (de mensenziel) vaststellen. Daarom is ook de Schepping een niet-voltooid Werk, dat via de actieve medewerking vanwege de mensenzielen zijn absolute bekroning moet krijgen. Deze bekroning moet bestaan uit een volledige heiliging van grote aantallen mensenzielen. Zeer concreet betekent dit niets minder dan talrijke mensenlevens die bestaan uit volhardende handelingen, gedachten, gevoelens en bestrevingen van ware zelfverloochenende Liefde en dienstvaardigheid jegens alle medeschepselen – medemensen en dieren, en zelfs het leefmilieu.

Alle ellende op deze wereld is de bittere vrucht van de dood van de Liefde in mensenzielen jegens hun medeschepselen. Elke mensenziel heeft een levensweg, een pad dat door Gods Voorzienigheid is ontworpen doch door de mensenziel zelf zijn vorm krijgt via haar concrete doen en laten, in mindere of hogere mate in samenwerking met de bezieling en inspiratie vanwege Gods Geest en Zijn Voorzienigheid. De aaneenschakeling van alle doen en laten is als een reis, die eindigt in het oordeel dat God velt over de mate waarin een afgesloten leven al dan niet vruchtbaar is geweest als bijdrage tot de voltooiing van Zijn Werken – de heiliging van Zijn Schepping. Tijdens deze reis doorheen het leven krijgt de mensenziel onophoudelijk inspiraties vanwege Gods Geest en kansen vanwege Gods Voorzienigheid om zich te vervolmaken in de ware zelfverloochenende Liefde. Een belangrijk gedeelte van die kansen bestaat uit contacten met medeschepselen – medemensen en dieren. Deze medeschepselen worden naar de mensenziel toe geleid in de hoop dat de ontmoeting voor de beide partijen moge bijdragen tot hun welzijn en ontwikkeling. Voor de mensenziel betekent dit heel concreet de ontwikkeling in de beleving en toepassing van de ware zelfverloochenende Liefde, omdat precies de graad van vordering in de beleving en toepassing hiervan bepaalt in welke mate de mensenziel haar opdracht ten bate van de voltooiing van Gods Werken heeft vervuld. Om deze reden speelt de wijze waarop de mensenziel omgaat met elk dier dat op haar levensweg komt – hetzij kort hetzij langdurig – een grote rol voor de bepaling van haar vruchtbaarheid als werktuig van God, alsook voor de vormgeving van haar Eeuwig Leven na het leven op aarde.

Elke mensenziel wordt haar hele leven lang ononderbroken geïnspireerd uit twee volkomen aan elkaar tegengestelde bronnen, dit wil zeggen bronnen die volkomen tegenovergestelde doelstellingen nastreven: God en de satan.

God beoogt de voltooiing van Zijn Schepping als Rijk van absoluut volmaakte Liefde, Vrede, Geluk en harmonie binnenin elk individueel schepsel en tussen alle schepselen onderling.

De tegenovergestelde bron is de satan, de duisternis. Deze beoogt de beschadiging, verzieking en zo mogelijk verwoesting van alles wat God in Zijn Schepping wil verwezenlijken, om zo te komen tot een wereld onder de totale heerschappij van ellende, chaos, ongerechtigheid, lijden, ziekte, angst, wantrouwen, vertwijfeling en totale uitzichtloosheid. Om dit doel te bereiken, injecteert de satan onophoudelijk alle mensenzielen met zijn gif van duisternis, dat beoogt, elk spoor van Liefde in de ziel te verzieken en zo mogelijk totaal te doden. Via deze injecties tracht hij de mensenharten te vergiftigen tot liefdeloosheid jegens hun medemensen én jegens de dieren.

De laatste smeking van gebed 1239 vraagt daarom niet zonder reden om Gods Liefde en Barmhartigheid jegens alle dieren ter wereld. God bereidt automatisch ook de dieren Zijn onverdeelde Liefde. Indien Hij dit niet zou doen, zou geen enkel dier in leven blijven, want al het levende ervaart slechts de kracht van het leven door de instroming van Gods Liefde. Wat echter noodzakelijk is, is dat mensenzielen deze Liefde aanvullen door concreet liefdevol gedrag en een oprechte liefdevolle innerlijke ingesteldheid jegens de dieren die hun levenspad kruisen. De Meesteres van alle zielen wijst erop, dat de toestand waarin alle dieren ter wereld deze gecombineerde Liefde vanwege God én de mensenzielen zouden ervaren, een verheerlijking zou betekenen voor de Liefde waarmee God de hele Schepping in leven houdt. Zij onderstreept daardoor Haar stelling dat alle leven op deze wereld slechts in stand wordt gehouden door de Liefde: De Ware Liefde is de essentie én de brandstof van het leven. Daarom bestaat de absoluut hoogste vorm van het leven, die Zij het Goddelijk Leven noemt – het vermogen dat de mensenziel in staat stelt om te leven 'zoals God Zelf leeft', met andere woorden vanuit innerlijke gesteldheden die haar daadwerkelijk op God doen lijken – in wezen uit een absolute verwezenlijking van de Goddelijke Wet van de Ware Liefde in de mensenziel.

Leven zoals God Zelf leeft, is een toestand die de mens zich niet kan voorstellen, en die in geen enkel opzicht en via geen enkele methode of denkwijze kan worden vastgesteld of gemeten. Datgene wat de mens erover kan (en mag) weten, is de vrucht van mystieke openbaring. In Haar alomvattende hoedanigheid als Meesteres van alle zielen heeft Maria, de Moeder van Jezus Christus en op grond van het verlangen dat Hij aan het Kruis van Verlossing heeft geuit, tevens de Moeder van alle mensenzielen, jegens Haar Myriam deze toestand woordelijk omschreven als volgt:

"Het Goddelijk Leven, het 'leven zoals God Zelf leeft', is de gesteldheid van het hart waarin geen ander verlangen tot werking komt dan het verlangen naar de restloze vervulling van de Goddelijke Wet door een totale en onvoorwaardelijke verlamming van elke neiging tot overtreding tegen de door God in de ziel gelegde neiging tot volmaakte navolging van de enige drijfveer van al Zijn Werken, Plannen en verlangens, namelijk de ware, zelfverloochenende Liefde jegens God Zelf, Zijn Werken en Plannen, en alle medeschepselen zonder uitzondering. 'Leven zoals God Zelf leeft' is daarom een leven in volmaakte zuiverheid, dit wil zeggen als een spiegel die het Licht van Gods Liefde en Wijsheid volkomen onbelemmerd reflecteert vanuit een ziel die leeft in het uitsluitend en alles beheersend verlangen om beeld en gelijkenis van haar Schepper te zijn. Het Goddelijk Leven is de levensopdracht van elke mensenziel, de door God bedoelde bestemming van haar spirituele ontwikkeling, en kan slechts worden verwezenlijkt in de mate waarin de ziel actief, van harte, spontaan en onvoorwaardelijk elk effect van de inspiraties en werken der duisternis op haar levensweg en in haar innerlijk leven onwerkzaam maakt door een radicale keuze voor de toepassing van de zelfverloochenende Liefde op elk ogenblik van haar leven. In deze gesteldheid wordt de ziel jegens elk medeschepsel tot een leven teken van de Tegenwoordigheid en Werking van de Schepper van al het levende".

Myriam, vanwege de Meesteres van alle zielen, maart 2020