TOTUS TUUS, MARIA !

VERZUCHTINGEN UIT HET HART VAN DE GODDELIJKE VERLOSSER

uittreksels uit De Oogst van de Eeuwige Liefde
betreffende verzuchtingen vanwege Jezus Christus
tijdens Zijn Verlossingswerken

geïnspireerd aan Myriam van Nazareth door de Heilige Moeder van Smarten

Deze verzameling is genomen uit het boek dat Myriam moest schrijven tijdens de opeenvolgende Passietijden van de jaren 2008, 2009 en 2010, getiteld De Oogst van de Eeuwige Liefde. In drie opeenvolgende jaren werd Myriam door de Moeder van Smarten uitgenodigd om een diepe eenheid te ervaren met de lijdende Christus, telkens gedurende achttien opeenvolgende dagen, te beginnen op de woensdag die voorafging aan Passiezondag.

Gedurende die dagen liet Jezus Myriam deel hebben aan bepaalde lichamelijke ervaringen die Hijzelf had doorstaan in de dagen voorafgaand aan, en tijdens, Zijn eigen Passie – uiteraard in een gematigde vorm, want geen enkele sterveling zou zelfs bij benadering de authentieke lichamelijke kwellingen kunnen doorstaan, aan dewelke de Christus onderworpen is geweest. Deze ervaringen stonden in het bijzonder in verband met de minder algemeen bekende uiterste uitputting, gevoelens van ziek-zijn en gelijkaardige verschijnselen die Jezus Zelf heeft ondergaan, en dienden hoofdzakelijk de volgende doelstelling: Myriam moest in staat worden gesteld om zo getrouw mogelijk enkele van de diepste verzuchtingen uit het Hart van Jezus weer te geven, en werd te dien einde ondergedompeld in de authentieke gesteldheden die leefden in de Vuuroven van Zijn Goddelijk Hart, de Bron van alle Liefde, alsook in de processen van Zijn allerheiligst Lichaam.

Deze tekst is een verzameling van dergelijke verzuchtingen, samengesteld met de bedoeling, tot de zielen een Passie-oproep te richten, die hen ertoe uitnodigt, hun harten te laten versmelten met het Hart dat zo vurig verlangde om hen te verlossen, en zich te bezinnen over enkele van de diepste verlangens die de Verlosser uitte op een wijze die vergelijkbaar is met toewijdingen van het Eeuwig Heil van de mensenzielen.

Myriam, onmiddellijk vóór de Passiedagen, april 2019.

Verzuchtingen uit het Hart van de Christus

(de verzuchtingen en erbij horende toelichtingen zijn telkens gescheiden door het teken '(...)' wegens het feit dat zij zijn ontleend aan het volledige boek De Oogst van de Eeuwige Liefde. Dit teken duidt telkens aan dan de daarna volgende tekst deel uitmaakt van een andere context)

(...)

De roeping van Jezus was deze, Brenger van het Goddelijk Licht en van de Verlossing te zijn. Ik verwijs hier naar de onderrichting Waarom is Jezus Mens geworden? Op zeker ogenblik word ik in het Hart van Jezus getrokken terwijl Hij de ondergaande zon bekijkt, en ik lees daar Zijn verzuchting:

"O Mijn Vader, Ik kus het Licht uit Uw Hart, dat in de wereld ondergaat, opdat het in eeuwigheid niet moge sterven. Ik trek de macht van alle zonden in Mijn Goddelijk Hart, opdat de wereld moge zien dat het Rijk van het Licht spoedig zal opstaan".

(...)

Vaak vind ik Jezus in de laatste dagen vóór de Passie terug op een afgelegen plaats. Bij voorkeur trekt Hij Zich terug op een heuvel, of ergens tussen struiken of achter een rots, waar Hij zoveel mogelijk voor menselijke blikken verborgen kan zitten, en niets anders ziet, hoort en ruikt dan de schoonheden, de geluiden en de geuren van de onvervalste natuur, die Hem aan het Hart van Zijn Eeuwige Vader herinneren, waaruit dit alles was voortgekomen.

In een dergelijke gesteldheid van Jezus’ Hart lees ik in die laatste dagen telkens opnieuw de vraag:

"In welke mate heb Ik Mijn levensdoel op aarde verwezenlijkt? Wat heb Ik gedaan om Ons Goddelijk Plan van Heil voor de zielen te ontsluiten en hen de wegen te tonen naar de verwezenlijking ervan?"

Op zeker ogenblik laat Jezus mij de volgende verzuchting horen, die Hij tot de Eeuwige Vader richt terwijl Hij, in diepe meditatie verzonken en met een nostalgische blik in Zijn ogen, een prachtige avondzon bekijkt, die laag boven een landschap vol gras en heesters prijkt:

"O Vader, Ik bid U dat alle zielen in alle tijden de genade mogen ontvangen, te begrijpen dat de vraag naar hun roeping, naar de zin van hun leven op aarde, in wezen een vraag is naar het kennen van Onze onfeilbare Wil, die hen wil oprichten in de ware heiligheid. Het zaad om haar roeping te kennen, ligt in elke ziel verborgen, omdat het de drager is van datgene wat Wij van haar verlangen als bijdrage tot Ons grote Plan van Heil voor alle mensenzielen. De ziel kan dit zaad ontsluiten door een diep en volhardend verlangen om Onze Wil jegens haar leven te kennen. Niets anders dan de Liefde kan dit verlangen tot leven wekken en het zaad laten uitbloeien tot een bloem. Deze bloem is de kennis van datgene wat Wij van haar in haar leven verwachten. Het parfum van deze bloem zal de ziel klaar maken voor de ervaring van de Ware innerlijke Vrede".

Jezus overweegt daarbij de erfenis die Hijzelf aan de zielen wil nalaten, omdat dit Zijn roeping als de Verlosser is, en die elke ziel in haar eigen leven moet waarmaken.

(...)

De opmerkelijkste soort van wondertekenen die Jezus heeft gesteld, waren zonder twijfel de opwekkingen uit de doden. Hij heeft God hierdoor veel glorie gebracht. Voor Jezus waren deze tekenen veel méér dan het tot leven wekken van een lichaam dat in feite reeds van de ziel was losgemaakt. Voor Jezus stond dit symbool voor de opwekking van zielen die spiritueel stervend waren, met andere woorden: die bezig waren, hun kansen op de Eeuwige Gelukzaligheid van de Hemel na hun aardse leven te verspelen. Uiteindelijk was dit het grootste levensdoel van de Christus: zielen op te wekken voor een zo hoog mogelijk niveau van spiritueel leven. Het is daarom belangrijk, erop te wijzen dat Jezus bij elke gelegenheid, waarbij Hij tijdens Zijn leven op aarde een mens uit de doden opwekte, dit gebeuren aan de Eeuwige Vader toewijdde met de intentie, dat dit wonder doorheen alle eeuwen vele zielen ontvankelijk zou maken voor een wedergeboorte voor het Ware Leven, weg uit de slavernij van het wereldse, dat de ziel geleidelijk overlevert aan de spirituele dood.

Ik heb het voorrecht gehad, in visioenen getuige te zijn van de opwekking van Lazarus, kort vóór het begin van de Passie. Jezus herinnert mij hier aan de woorden die Hij in dit verband op 17 december 2007 in mij sprak, en die ik hier weergeef:

"Toen Ik, staande vóór het graf te Bethanië, uitriep: 'Lazarus, kom naar buiten!', beefde Mijn stem van aandoening. Niemand wist toen dat Ik deze woorden sprak in het tijdloze: Ieder van jullie zag Ik toen vóór de ogen van Mijn geest. Tot ieder van jullie riep Ik de uitnodiging om het graf van de wereld te verlaten, opdat jullie ziel opnieuw in het zonlicht zou verschijnen. In werkelijkheid riep Ik dus: 'Zielen van alle tijden, kom uit jullie graf van wereldse gehechtheden, gewoonten, herinneringen en werelds denken naar buiten, en begroet het Licht van het Goddelijk Leven'. Te Bethanië heb Ik de deur ontsloten voor de opstanding van elke ziel uit de dood van het werelds leven. Ik heb dit ontsluitingswerk weinige dagen later voltooid op het Kruis".

De hele atmosfeer rond het gebeuren bij het graf van Lazarus is buitengewoon aandoenlijk. Het wordt mij vergund, het Hart van Jezus te voelen tijdens Zijn opgang naar Bethanië en tijdens Zijn optreden vóór het graf van Lazarus. Jezus weent, om meer dan één reden:

  • Hij is diep aangedaan in de ervaring van de komst van een gebeurtenis waarvan Hij weet dat zij een buitengewone verheerlijking van God zal betekenen. Dit is de component van de verrukking;

  • Hij is diep bedroefd over de afwijking in de zielen door de erfzonde, die de lichamelijke dood in de wereld heeft gebracht en de mens heeft afgescheiden van Gods Wil, en die vele zielen heeft gesloten ten aanzien van de volle Waarheid van God. Jezus heeft te Betanië de terugkeer van de zielen uit de gehechtheden aan de stoffelijke zijde van het leven geheiligd. Dit is de component van de Smart.

(...)

Voor Jezus is heel belangrijk dat de zielen de ware diepte van de macht van de Liefde zouden beseffen, en zouden inzien dat alle schepselen en God onderling verbonden zijn in één geheel:

Ik zie Jezus op een steen zitten. Op heel korte afstand van Hem vandaan zie ik een kleine vogel neerstrijken, die Hem bekijkt. Jezus glimlacht, en werpt het diertje een stukje brood toe. De vogel begint erin te pikken en het met zijn snavel heen en weer te bewegen om kruimels los te maken. Terwijl Jezus dit schouwspel wat geamuseerd bekijkt, lees ik in Zijn Hart een diepe emotie, en een verzuchting tot de Eeuwige Vader:

"O Vader, hoe eng hebben Wij in Onze Schepping toch alles met elkaar vervlochten. O welke Liefde stroomt toch tussen alle Harten, zoekend naar wederliefde, opdat deze stroming het Ware Leven in alle schepselen zou kunnen wekken, tot verheerlijking van Uw Glorie. O mochten alle zielen zien en voelen hoe totaal Onze Harten elke gewaarwording van elke mens en van elk dier aanvoelen, omdat een deeltje van Onszelf leeft in elk levend wezen. Hoezeer voelen Wij Zelf elk spoortje van vreugde, zelfs in deze kleine vogel. Hoezeer voelen Wij Zelf elk spoortje van pijn dat zelfs dit kleine wezen wordt aangedaan in het hart of in het lichaam. Hoe zwaar lijdt toch Ons Hart onder elk tekort aan Liefde tussen Onze schepselen, en welke vreugde ervaart Ons Hart om elke uiting van Liefde tussen Onze schepselen. O Vader, Ik bid om de terugkeer van het bewustzijn over de volmaakte eenheid van alle schepselen, opdat geen schepsel nog een medeschepsel schade of pijn moge toebrengen. Zo zal het zijn in de volheid van de tijd, in het Rijk van de volmaakte Liefde onder de volmaakte heerschappij van Onze Wet".

(...)

Het is sabbat. Jezus heeft een woordenwisseling gehad met een viertal Farizeeën. Ik zie hoe drie van hen zich verontwaardigd en trots terugtrekken. De vierde aarzelt, blijft nog even naar Jezus kijken met een blik die laat vermoeden dat hij ernstig overweegt wat Jezus heeft gezegd, en na enkele ogenblikken trekt ook hij zich terug, doch zoekt niet onmiddellijk aansluiting met de drie anderen, die onderling druk in gesprek zijn terwijl zij enigszins gejaagd verderlopen. Jezus kijkt eerst de drie achterna, daarna de vierde. De apostelen lijken verward en geschrokken. Ik mag in Jezus’ Hart lezen:

"O Vader, hoe onmetelijk rijk is Onze Waarheid, en hoe arm de wijsheid der zielen die zich van het Licht hebben afgewend. Hoezeer hunkert Mijn Hart naar het uur waarin de nevelen om de geesten en harten worden opgelost door het Vuur van Onze Liefde terwijl de vlammen Mijn Vlees verteren. O Vader, slechts waar het vlees zich laat verteren door de Liefde, kan Onze Geest de Eeuwige Waarheid fluisteren en kan Zijn adem de nevelen verjagen".

Jezus duidt hier reeds aan, dat de essentie van Zijn Verlossingswerk de Ware Liefde zal zijn.

(...)

Jezus knielt neer, en ik lees nu in Zijn Hart woorden die mij het verband laten zien met het Onze Vader zoals wij dit kennen:

"O Mijn Vader, Bron van al het geschapene, die leeft en werkt in het verborgene en doorheen een Wijsheid die niet van de wereld is, moge de hele schepping de onaantastbare heiligheid van Uw Wezen erkennen en zich naar deze heiligheid richten. Laat Uw Rijk spoedig komen. Moge Uw onfeilbare Wil opnieuw tot Bron en drijfveer van alle handelen en spreken worden onder de zielen zoals hij dit is voor de engelen die Wij tot Onze dienst hebben geroepen. Voed toch de zielen met het Goddelijk Leven, opdat zij niet dwalen op hun weg naar Ons toe. Reken hen hun schulden niet aan, mits zij hun zwakheid erkennen en belijden dat niet hun medeschepselen hun ware vijand zijn. Breek toch alle bekoring tot verloochening van Onze Liefde, Onze leiding en Ons Licht, en zuiver de zielen van alle duisternis. O laat Mijn Vlees en Bloed overvloeien in de zielen, opdat zij in Onze navolging dragers van Ons Licht mogen zijn".

Ziehier de vergelijking tussen, enerzijds, de woorden van dit inwendig gebed van Jezus, en anderzijds het Onze Vader zoals wij dit uitspreken. Wie de woorden van Jezus diep overweegt, ontdekt hierin de diepe betekenis van het Onze Vader zoals Hij dit gebed heeft bedoeld:

INWENDIG GEBED VAN JEZUS HET "ONZE VADER"
"O Mijn Vader, Bron van al het geschapene, die leeft en werkt in het verborgene en doorheen een Wijsheid die niet van de wereld is "Onze Vader, die in de hemelen zijt
moge de hele Schepping de onaantastbare heiligheid van Uw Wezen erkennen en zich naar deze heiligheid richten. geheiligd zij Uw naam
Laat Uw Rijk spoedig komen. Uw Rijk kome
Moge Uw onfeilbare Wil opnieuw tot Bron en drijfveer van alle handelen en spreken worden onder de zielen zoals hij dit is voor de engelen die Wij tot Onze dienst hebben geroepen. Uw Wil geschiede op aarde als in de Hemel
Voed toch de zielen met het Goddelijk Leven, opdat zij niet dwalen op hun weg naar Ons toe. geef ons heden ons dagelijks brood
Reken hen hun schulden niet aan mits zij hun zwakheid erkennen en belijden dat niet hun medeschepselen hun ware vijand zijn. en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren
Breek toch alle bekoring tot verloochening van Onze Liefde, Onze leiding en Ons Licht, en zuiver de zielen van alle duisternis. en leid ons niet in bekoring
O laat Mijn Vlees en Bloed overvloeien in de zielen, opdat zij in Onze navolging dragers van Ons Licht mogen zijn" maar verlos ons van het kwaad"

Ondanks alle Lijden, dat Jezus reeds zeer lange tijd vóór de werkelijke Passie in steeds toenemende mate in Zijn lichaam en Hart draagt, voel ik in Hem een diepe Vrede en een blijmoedigheid die ook in de uren van hartenleed niet helemaal wordt uitgeblust. Ik zie Jezus op een zonnige namiddag, zittend op een grasberm naast een smal zanderig wandelpad, kijkend naar een stralend blauwe hemel, en ik lees in Zijn Hart:

"Mijn Vader, ondanks alle ellende op deze wereld straalt uit Ons Hart het hemelsblauw Licht van de diepe Vrede en blijheid. Mogen de zielen begrijpen dat slechts Onze Vrede en blijheid in hun harten in hen de ware Verlossing zal ontsluiten".

Jezus wijst hier op het beeld van de blauwe kleur van het hemelgewelf op een mooie zonnige dag. Blauw, in het bijzonder lichtblauw, hemelsblauw, is mij door de Moeder Gods ooit verklaard als symbool voor diepe Vrede en blijheid. Jezus wijst er nu op, dat deze diepe Vrede en blijheid uit Gods Hart (gesymboliseerd door het hemelgewelf) stroomt, op zonnige dagen (symbool voor het Licht van Gods Waarheid en de warmte van Zijn Liefde). Jezus nodigt de zielen uit, de les hiervan steeds voor ogen te houden: Slechts het Hart van God en de atmosfeer van het Hemelse kunnen Licht, warmte, ware Vrede van hart en blijheid in de mensenziel brengen. Hij wijst erop, net zoals Maria dit in Haar onderrichtingen voortdurend doet, dat de ziel God geen grotere glorie kan brengen dan een leven in blijmoedigheid en Vrede van hart. Deze gesteldheden kan de ziel slechts in stand houden in de mate waarin zij waarlijk gelooft in Gods Liefde: Slechts dan weet zij zich ervan verzekerd, dat in haar leven elke wolk ooit voorbij trekt, en dat het leven in wezen een reis naar de zon (de Eeuwige Gelukzaligheid) is voor elke ziel die ervan overtuigd is dat het Licht altijd het laatste woord heeft.

(...)

Zo ervaart Jezus dat, hoe méér Hij God verheerlijkt, des te groter de weerstand tegen Hem wordt. Telkens weer bidt Hij ook voor de zielen die in alle tijden een gelijkaardig lot zullen ondergaan, en vijandschap zullen oogsten omdat zij God in woord en daad verheerlijken en aan zielen de Waarheid verkondigen. Het is in een dergelijke gesteldheid dat Jezus kort vóór Zijn Lijden zal zeggen: "Als ze Mij vervolgd hebben, zullen ze ook u vervolgen".

"O Vader, in elke ziel hebben Wij het zaad van Onze Eeuwige Waarheid gelegd. In de nacht der zielen heeft hij, die nog vóór de schepping van de mensenziel Onze Wet niet langer heeft aanvaard, het zaad der Waarheid uit vele zielen weggeroofd, zodat zij onvruchtbaar zijn geworden. Als Zaaier ben Ik uitgetrokken om een nieuwe, altijddurende, nooit verwelkende oogst voor te bereiden. Thans nadert het uur waarop de graankorrels voor alle tijden worden ontsloten. Zoals de rover Mij besluipt, zo zal elke ziel die het Licht zal ontvangen om van de volle Waarheid te getuigen, door werktuigen van de duisternis worden bestreden. In alle tijden zal de satan door zielen spreken om hen, die Wij als bloemen tussen het onkruid zullen zaaien, als onkruid te laten beschouwen, dat verdelgd moet worden. Ik bid dat het zaad, dat deze bloemen onder de slagen vanwege hun bestrijders in de akkers der zielen zullen loslaten, Ons Licht in de wereld moge vermenigvuldigen. In deze bloemen zal Ik telkens opnieuw worden gekruisigd, doch verrijzen”.

(...)

Ik zie Jezus op één van de laatste dagen vóór de Passie. In Zijn Hart mag ik de volgende woorden lezen, die Hij in stilte tot de Eeuwige Vader richt:

"O Vader, mogen de zielen verlangen naar het voedsel van de Eeuwige Waarheid, opdat zij op hun beurt het Licht kunnen ontsluiten voor andere zielen, want de stroming van de Waarheid tussen de zielen zal hen vrij maken en hun harten klaarmaken voor de volheid van de Verlossing".

Buitengewoon rijke woorden, die meteen duidelijk maken wat Jezus met Zijn predikingen, met de verkondiging van de Leer van Gods enige Wet en Waarheid beoogde.

Even later ontsluit Jezus nogmaals Zijn Hart voor mij, en maakt mij getuige van de volgende ontboezeming:

"O Vader, hoezeer heeft de zonde de zielen afgesloten voor de waarneming van Onze Waarheid. Zij zoeken wat zij niet kennen, en zij zijn niet in staat het te herkennen wanneer zij het hebben gevonden. Ben Ik niet in de wereld gekomen om het Licht te laten stralen in hun duistere harten? Doch zij herkennen zelfs niet meer hun behoefte aan Licht, duister als zij zijn geworden. Het Licht is hen een aanstoot, want het hoort niet langer thuis in hun wereld. Zie toch hoezeer de bloemen der ware vreugde bloeien in hen die het Ware Licht hebben herkend en het tot bron van al hun denken, voelen en verlangen hebben gemaakt".

Onmiddellijk hierop zie ik beelden van apostel Johannes, daarna van Maria, en tot slot van Maria Magdalena. Mij worden symbolische beelden getoond van deze zielen zoals God Zelf deze ziet: siertuinen op een stralende dag. De ziel van Maria, de Heilige Maagd, tart elke beschrijving. Jezus spreekt verder vanuit Zijn Hart:

"O Vader, met elk woord heb Ik gezaaid, met elke glimlach heb Ik de zon op de ingezaaide akkers laten stralen, met elke traan gestort in verborgen uren heb Ik het water van Eeuwig Leven over deze akkers laten vloeien. Het uur nadert, waarin Ik elk spoor van onkruid en alle ongedierte uit deze akkers zal wegspoelen in Mijn Bloed. Reeds brandt Mijn Hart als het Vuur van Onze Geest, die heiligt en bezielt. Zoveel heb Ik hen nog te zeggen, maar zo weinig kunnen zij nu begrijpen, omdat hun hart het Licht nog niet in zijn volheid in zich kan opnemen. Maar welke troost schenkt Mij Onze eeuwig geldende Beschikking dat het uur zal komen waarin zielen van Onze uitverkiezing zoveel Licht zullen ontvangen dat Onze Mysteries, de instromingen van het sap van het Goddelijk Leven, voor hen verteerbaar zullen worden, en deze zielen Ons Licht herkenbaar zullen maken voor veler ogen. O Vader, ook zij zullen worden vervolgd, en duisternis te drinken krijgen voor elke slok Licht die zij aan zielen te drinken hebben gegeven. Ik bid voor hen, dat zij mogen volharden door hun Liefde voor het Kruis, zoals ook Ik Mijn Missie zal voltooien uit Liefde voor het Kruis. Ja, het uur is nabij, want niets kan Ik nog zeggen, tot de zielen hebben verteerd wat Ik voor hen heb bereid. Het bruiloftsmaal is voorbereid. De Bruiloft kan slechts worden voltrokken aan hen die de Bruidegom Zelf tot zich nemen".

Naar mij wordt getoond, verwijst Jezus hiermee naar twee dingen: het Sacrament van de Eucharistie, maar ook de totale navolging van Christus op de kruisweg van het dagelijks leven. Jezus wilde de zielen tijdens die laatste dagen nog zoveel zeggen, maar Hij was Zich er terdege van bewust, dat hun begrip voor Zijn woorden pas ontsloten zou worden door Zijn Offer aan het Kruis.

Even later gaat het inwendig gebed als volgt verder:

"Vader, Mijn menselijkheid bidt om kracht, want voor dit uur ben Ik in de wereld gekomen".

Onmiddellijk na deze woorden zie ik Jezus beginnen sidderen over Zijn hele lichaam, en in mijn eigen lichaam krijg ik het heel koud – een koude die een hele tijd aanhoudt.

(...)

Ik krijg nu opnieuw beelden van het Laatste Avondmaal en der instelling van de Eucharistie. Jezus zegt mij:

"Zie toch hoezeer God Zijn schepselen bemint. Onder het Oud Verbond brachten de zielen offers door het slachten van dieren. Het paaslam werd geslacht, en de deurposten van de huizen werden bestreken met het bloed van de geslachte lammeren. In het Nieuw Verbond ben Ikzelf tot Paaslam geworden. Van de zielen wordt niet langer verwacht dat zij het bloed van lammeren aan hun deurposten strijken, doch dat zij Mij opnemen in het huis van hun ziel. Om Mijn Werken van Verlossing in zich te voltooien, moeten zij bovendien bereid zijn om zichzelf tot paaslam te maken door in totale zelfofferande hun leven met zijn beproevingen en kruisen op te dragen aan Gods Plan van Heil. Het enige wat zij daarbij slachten, zijn hun wereldse gehechtheden en de heerschappij van hun stoffelijke behoeften. Voor dit alles krijgen zij het Lam Gods in zich, tot steun en kracht. God maakt Zich één met de zielen. Houd de zielen het volgende beeld voor ogen: Onder het Oud Verbond werden bij het paaslam bittere kruiden genuttigd om het beter verteerbaar te maken. Welnu, onder het Nieuw Verbond wordt de rol van de bittere kruiden vervuld door de beproevingen: Ook al lijken zij, voor wereldse ogen, het leven een bittere smaak te geven, niettemin is het precies de liefdevolle aanvaarding van de beproevingen die Mijn inwoning als Paaslam in de ziel ‘verteerbaar’ maakt. Want zie, wie de Christus in zich opneemt, moet Zijn Werken doen, Zijn Kruis helpen dragen, en uit Zijn beker drinken. Zonder liefdevolle aanvaarding van alles op de kruisweg van het leven, is deze opdracht onverteerbaar. Ik maak je dezer dagen deelachtig aan de ware gesteldheden van Mijn Lichaam en Hart gedurende de laatste weken van Mijn leven op aarde. Je ervaart nu in de diepte, dat de Liefde waarlijk de enige kracht is die alle Leven draagt".

Omstreeks de instelling van de Eucharistie lees ik in Jezus’ Hart het volgende gebed tot de Eeuwige Vader:

"O Mijn Vader, reeds is de verrader onderweg naar hen die Onze Werken willen ondermijnen voor de eeuwigheid. Het verraad zal niet eenmalig zijn. Doorheen de eeuwen zullen velen, die geroepen zijn om de ene ware Kerk in stand te houden, Mij verraden door Mijn Werken te verloochenen, hen te verontreinigen door hen aan te passen bij de schijnbehoeften der wereld, en door Mijn woorden te veranderen omdat de duisternis in hun hart het Ware Licht niet verdraagt. Hoeveel zielen zullen zij misleiden. Hoezeer zullen zij Mijn Kruis verzwaren, hoeveel bitterheid zullen zij toevoegen aan Mijn Kelk".

Maria licht mij toe dat Jezus hier doelt op alle modernisme binnen de Kerk en op vele priesters die eerder zichzelf zoeken dan zich totaal te geven voor de verwezenlijking van Gods doelstellingen. Jezus vervolgt:

"Ik bid voor hen, dat zij de hartslag van Mijn Liefde mogen voelen en tot inkeer mogen komen, opdat zij Mij niet overleveren aan de Hogepriesters van de dwaling nadat Ik hen de wonderen van de Liefde heb geleerd".

(...)

In de dagen vóór de Passie zie ik Jezus naar Maria kijken, die enkele tientallen meter verder voorovergebogen, zacht glimlachend, spreekt tot één van de vrouwen uit het gevolg van Jezus, en in Zijn Hart wellen de volgende woorden op:

"O Mijn Vader, zegen de Duif van Ons welbehagen, Haar die dit alles heeft mogelijk gemaakt door Haar vlees te delen met Mijn Goddelijk Vlees, Haar bloed met Mijn Goddelijk Bloed. Hoezeer bemint Zij de kleur van Onze Vrede en Onze blijmoedigheid. Zij is er één mee geworden tot in Haar uiterlijke verschijning. Moge Zij een Hemel op aarde blijven voor hen die Ik spoedig in het vlees zal verlaten".

Jezus zinspeelt in de woorden 'de kleur van Onze Vrede en Onze blijmoedigheid' op de blauwe kleur van Maria’s mantel, die Zij in dit beeld draagt. Hij beschouwt dit hier als een zichtbare uitdrukking van Maria’s Wezen, dat als een Hemel op aarde is, doordat Zij de heiligheid en gesteldheden van een Hemels wezen in Zich draagt, en alles wat van Haar uitgaat (handelingen, woorden, Haar hele lichaamstaal en uitstraling) de Hemel op alle schepselen afstraalt.

Wat later zie ik Jezus geknield liggen op de top van een groene heuvel. Het is nacht, de maan is bijna vol, wat erop wijst dat Witte Donderdag (dag van de volle maan tijdens de Passie) nog hooguit twee of drie dagen in de toekomst ligt. Jezus bidt intens. Opnieuw krijg ik het voorrecht, te mogen verzinken in Zijn Hart, en ik voel trillingen van een ware extase. Uit deze vuurhaard van Goddelijke Liefde voel ik de volgende woorden opwellen, terwijl ik een lange reeks beelden zie van Maria op vele verschillende tijdstippen tijdens het leven van Jezus:

"O Vader, welke verrukkingen ervaart Mijn gekweld Hart bij de aanschouwing van de ziel van Haar die heeft aanvaard, Mijn Moeder in het Vlees te zijn. O verrukkelijke schoonheid van de volmaakt heilige ziel... Mirakel der mirakelen. O welke troost biedt Mij de kennis dat Zij de Schatbewaarster van Mijn erfenis zal zijn voor alle eeuwen. Mijn macht zal Zij erven, Mijn Wijsheid zal Zij verspreiden, Mijn Werken zal Zij voltooien door het Mysterie van de macht van de kringloop der volmaakte Liefde, want Zij zal zielen vormen naar Haar beeld. Zij zal deze zielen bevruchten met het zaad van Haar eigen Hart, en de bloesems zullen bloeien en vruchten geven, en de vruchten zullen nieuw zaad aan de zielen toevertrouwen. De uitwerkingen van Haar macht zullen groeien naarmate de vacht der duisternis over de zielen drukkender wordt, want Haar heerschappij zal verborgen blijven... Slechts Haar uitverkorenen zullen zien hoe Zij de slang tot Haar slaaf heeft gemaakt. Ja, het uur van Haar Rijk over de duisternis is er al, doch het zal in Ons Hart besloten blijven tot Onze Geest de volheid van de Tijd zal aankondigen. In dat uur zullen de erfgenamen van Onze Mysteries vervolgd worden zoals Ik vervolgd word, en de kruiken van alle menselijke zwakheid zullen aan Haar voeten moeten worden gebroken opdat het parfum van de algehele heiliging der zielen waarneembaar zou worden. Dan zullen de eerste zaden uit Haar Hart ontkiemen en hun bloesems Haar macht verkondigen. O Vader, reeds verlangt Mijn Hart naar dat uur, waarin ook de schoonheid van Ons Goddelijk Plan van Liefde openbaar zal worden in de harten die wedergeboren zijn uit het Licht".

Uit deze woorden spreekt in hoge mate welke immense kracht Jezus in Zijn laatste dagen putte uit de toekomstige rol van Maria naar de zielen toe. Voor de Verlosser was Zij de Grote Hoop. Zij was ook Diegene, die in de eerste jaren na het heengaan van Jezus het levend Teken van de blijvende Tegenwoordigheid van de Christus onder de zielen zou zijn, opdat deze laatsten tijdens de vormingsjaren van de jonge Kerk van Christus aan de werkelijkheid herinnerd zouden worden, dat Jezus waarlijk onder hen had geleefd, waarlijk de Messias was, waarlijk de Kruisdood was gestorven voor de Verlossing der zielen van goede wil, waarlijk was verrezen en ten Hemel was opgestegen, en waarlijk bij de zielen zou blijven voor alle tijden. Zowel gedurende Haar verdere jaren op de wereld als in de verdere eeuwen zou Maria voor tallozen de sleutel tot de Hemelpoort zijn, en zoals Jezus hier letterlijk tot uitdrukking brengt, was door God beschikt dat Maria’s macht zichtbaarder zou worden naarmate de duisternis de wereld meer in de greep zou krijgen. Jezus doelt hier overduidelijk op de tijd die wij thans beleven: de Laatste Tijden, met de verkondiging van Maria als de Meesteres van alle zielen.

Het visioen gaat verder. Ik voel nu in mijn eigen lichaam hevige buikkrampen, en in Jezus’ Hart wellen de woorden op:

"De verduisterde Schepping zal in elkaar krimpen wanneer de Eeuwige Moeder de volrijpe vruchten van Ons Licht zal baren. Sidderen zullen de regionen der duisternis. De voeten van de Maagd zullen voorwerpen van vrees en van gelukzaligheid worden, want zij zullen de Hemel voorgoed openscheuren voor de derde geboorte van het Licht".

Ik ontvang hierbij de volgende toelichting:

  • de eerste geboorte van het Licht is de scheppingsdaad;

  • de tweede geboorte van het Licht is de Komst van Jezus Christus in de wereld

  • de derde geboorte van het Licht zal de definitieve grondvesting van Gods Rijk op aarde zijn.

(...)

Op zeker ogenblik lees ik in Jezus’ Hart:

"O Mijn Vader, nu Ik spoedig het leven in het Vlees zal verlaten, bid Ik U om de bekrachtiging van Onze Beschikking dat Onze Geest de zielen het Licht zou schenken van een verlangen naar totale toewijding aan Haar die U hebt geschapen als de nieuwe Eva, want in Haar is de totale overwinning op de erfzonde en dus op de kiem van alles wat de zielen verwijdert van de heiligheid en van hun bestemming als Ons beeld en gelijkenis".

Jezus heiligt dus, slechts een paar dagen vóór Zijn Kruisdood, in Zijn Hart de toewijding van de zielen aan Maria, en brengt tot uitdrukking dat de totale toewijding van een ziel aan Maria neerkomt op een toewijding aan de totale overwinning op de duisternis en aan het verlangen van de ziel om terug te keren naar de toestand als beeld en gelijkenis van God, zoals de mensenziel oorspronkelijk was geschapen. Door de erfzonde heeft de mensenziel deze toestand verloren, door de Kruisdood zal zij de kans krijgen om deze toestand voor zichzelf terug te winnen, en dit zal op geen enkele wijze beter kunnen dan via de totale toewijding aan Maria, die als enige ziel de effecten van de erfzonde nooit in Zich heeft gedragen.

Jezus Zelf stelt dus duidelijk een zeer grote hoop op de rol van Maria voor het christendom, dat na Zijn heengaan de taak zal krijgen, de enige Waarheid van God over de wereld te verspreiden. Maria Zelf geeft mij echter de reden waarom het niet mogelijk was om dit in die dagen op schrift te laten stellen (in het Evangelie of in andere gezaghebbende geschriften):

MARIA: "Het jodendom had een traditie van mannelijke heiligen en profeten. De Waarheid over Mij als Voortzetster van de Werken van Jezus in de zielen zou voor de joden onaanvaardbaar zijn geweest, en zou een bedreiging hebben gevormd voor het jonge christendom, dat nood had aan stevige wortels in een steeds groeiend aantal zielen".

Jezus gaf vanaf het Kruis Maria aan de zielen tot bekroning van Zijn Werken tot vervulling van de Tijd. Maria zou voor altijd het levend Voorbeeld en de Belichaming van de Allerheiligste Drievuldigheid worden, de volmaakt verloste en geheiligde ziel, en zou de onderrichtende rol van Christus doorheen de eeuwen voortzetten.

(...)

Elke nacht tijdens deze ervaring lig ik te gloeien als in hoge koorts, waardoor de nachtrust slecht is. Dit draagt bij tot het toenemend gevoel van totaal-gebroken-zijn. Maria verklaart mij de koortsige gesteldheden gedurende de nachtelijke uren met de woorden:

"De Missie van Jezus bestond erin, met het Vuur van de Liefde warmte en Licht te brengen in de kilte en duisternis der zielen. Dit is waarin je nu mag delen door gedurende de nachten (duisternis) te gloeien als in hoge koorts (vuur). Gedenk dat Jezus en Ikzelf vooral in de laatste weken vóór de Passie heel weinig nachtrust genoten. Het waren uren van totale zelfslachtoffering".

(...)

Op zeker ogenblik, in de laatste dagen vóór de Passie, zie ik de apostel Johannes naderen tot Jezus, die kreunend in elkaar getrokken, op de grond geknield ligt, tussen struiken. Jezus richt Zich op, en ik lees in Zijn Hart de volgende woorden:

"Vader, laat deze zoon van Onze Liefde niet merken wat de Graankorrel lijdt, tot het uur gekomen is. Ja, reeds is zijn hart in het Mijne geborgen, doch het Vuur van zijn Liefde mag niet lijden onder de aanblik van de Waarheid over het kaf dat in Onze Liefde wordt verbrand. Nog niet, Vader, nog niet".

De gesteldheid van Jezus op dit ogenblik geeft duidelijk blijk van de Wil om in het verborgene te lijden, omdat 'het uur nog niet gekomen is'. Het Mysterie mocht duidelijk niet vóór Gods Tijd worden onthuld, opdat geen enkele mensenziel in de wil en de ziel zou worden beïnvloed door de vaststelling van datgene wat zich in Jezus afspeelde.

Dan zie ik hoe Jezus Zich met moeite opricht en Johannes omhelst met een zachte glimlach, doch met ogen die blinken door tranen die Hij verbijt. Ik merk ook aan het mooie, onschuldige gelaat van Johannes, dat iets in de kern van zijn ziel begrijpt wat zich hier aan het afspelen is. De open blik van de ziel die volkomen leeft vanuit de Ware Liefde, doorgrondt vaak de gesteldheden van andere wezens wanneer zij in dit schepsel datgene ontdekken, wat de Liefde een bijzondere glans verleent: Lijden, Smart en/of verrukking.

Tijdens een opstoot van hevige buikkramp in mijn eigen lichaam zegt Jezus inwendig:

"Mijn Vader, zo zullen in de volheid van de Tijd de regionen der hel scheuren, waar alle zonden van het lichaam verzameld zijn".

Ik zie nu Jezus, de apostelen en de vrouwen uit het gevolg van de Messias over een landweg gaan. Johannes, die blijkbaar vaak de gesteldheden van Jezus aanvoelt, zegt op zeker ogenblik bezorgd tot Hem: "Meester, laten wij rusten. U kunt dit niet volhouden. Ik heb U ook deze nacht zien waken en bidden". Jezus glimlacht hem toe, legt Zijn rechterhand op Johannes’ schouder, wijst met de linkerhand naar de akkers rondom, en zegt:

"Reeds rijpt het gouden koren, verlangend naar het uur van de oogst. Het kijkt niet naar de aarde omlaag, doch reikt steeds hoger naar de hemel boven zich en drinkt het licht van de zon in zich op. Ja, het uur is onafwendbaar".

Johannes lijkt bij deze woorden in diepe beschouwing te verzinken. Enkele andere apostelen die de woorden hebben gehoord, kijken elkaar verbaasd en zichtbaar verward aan. Ik heb het gevoel dat Johannes de enige is die vermoedt dat Jezus zopas over Zichzelf heeft gesproken, en niet over de ontwikkelingen op de velden.

Kort na dit visioen krijg ik in mijn eigen lichaam hartkramp, en onmiddellijk zie ik inwendig Jezus die (duidelijk op een ander ogenblik dan daarnet) inwendig tot de Vader roept:

"O Vader... Vader... geef Mij zielen. Geen brood verlang Ik, doch zielen, want de honger van Mijn Hart kwelt Mij".

(Jezus lijkt te rillen van koorts). Hij vervolgt:

"Ik heb dit Vlees en Bloed slechts nodig opdat de zielen verheerlijkt worden in het Licht. Ben Ik niet gezonden om met de zielen het heilig Verbond te sluiten? Verteer dan, Vlees, opdat zij het Licht van de totale navolging mogen ontvangen en aanvaarden. Ja, Vader, vlees hebt Gij ook hen gegeven, opdat zij het op hun beurt in Licht zouden veranderen".

Met deze woorden verkondigt Jezus duidelijk het verlangen, dat de zielen Hem zouden navolgen tot in het lijden in het lichaam. Jezus wil met Zijn zelfofferande de fundamenten van Gods Rijk op aarde leggen. Hiertoe verlangt Hij naar zielen die in Zijn navolging eveneens zichzelf totaal slachtofferen in een leven in uitsluitende dienst van de verkondiging van de Waarheid.

Inderdaad, ik zie nu Jezus, alleen, in diepe beschouwing verzonken. Vanuit Zijn Hart wellen de volgende woorden naar de Eeuwige Vader op:

"O Mijn Vader, reeds bereid Ik U het offer van Mijn mens-zijn, opdat het Licht van Onze Geest moge blijven stralen doorheen alle eeuwen. Ik bid opdat deze offerbereidheid voortzetting moge vinden in de zielen die Mij zullen aanvaarden als Bron van het Licht, opdat Wij in alle tijden zielen mogen roepen die sleutels zullen zijn tot ontsluiting van het geweten van andere zielen;

zielen die Ons Licht zullen laten doorstralen over de Schepping, opdat de wereld nooit in de duisternis moge ondergaan;

zielen die de Wijsheid van Onze Geest zullen aanvaarden opdat andere zielen niet zouden ondergaan in onwetendheid;

zielen die de dwaallichten der wereld zullen ontmaskeren;

zielen die de Waarheid zullen verkondigen ten koste van eigen vervolging, zoals Ikzelf dit zal blijven doen tot in het uur waarnaar Wij sedert eeuwen verlangen;

(Jezus verwijst hiermee naar Zijn naderende Kruisdood).

Voor deze zielen zal Ik de druiventros van Mijn menselijke natuur laten ontledigen, opdat in hen Mijn Nalatenschap onder de stralen van Onze Geest moge rijpen tot wijn die andere zielen zal sterken voor het Goddelijk Leven.

O Vader, in deze zielen zal Ik de druppels honing vinden die Mij in staat zullen stellen om de afschuw voor de kelk der zonden te overwinnen. In deze zielen zal Ik de hoop vinden van de nimmer ondergaande zon".

Jezus lijkt steeds méér te baden in een koortsig zweet.

Terwijl ik opnieuw hevige buikkrampen heb, lees ik in het Hart van Jezus:

"Dank U, Mijn Vader, dat Ik een Lichaam heb gekregen waarin Ik de uitwerkingen van de zonden der wereld kan laten verteren in het Vuur van Onze Liefde. Mogen de zielen begrijpen dat hun lichaam niets anders is dan brandstof om het Vuur van de Liefde in de Schepping in stand te houden".

Ik zie Jezus hierbij geknield zitten, ten prooi aan inwendige pijnen, voorover leunend tegen een grote steen, omgeven door struikgewas. Het moet valavond zijn, want ik zie een oranje ondergaande zon. Opmerkelijk, en voor mij heel treffend, is de vaststelling met welke nostalgische blik Jezus vaak de avondzon bekijkt. Hij ziet hierin twee betekenissen, die in Zijn Hart lijken samen te smelten tot één buitengewoon diepe mystieke ervaring:

  1. het Licht dat in de zielen ondergaat, als aankondiging van de spirituele nacht;

  2. de avondzon als bode die Hem toelacht vanuit het Paradijs, en daarom het teken van een grote hoop.

(...)

Jezus spreekt in verband met menselijke gesteldheden die de specifieke punten van Zijn Lijden noodzakelijk hebben gemaakt:

"Mogen de zielen in Mijn navolging, en tot voltooiing van de Verlossing, hun vlees laten verscheuren en doden, en hun bloed laten vloeien over de hele Schepping. Hun vlees laten verscheuren en doden, kunnen zij door onophoudelijk aan zichzelf te werken, en door via voortdurende onthechting de oude mens af te leggen en hierdoor elke dag voor een nieuw stuk herboren te worden. Hun bloed over de Schepping laten vloeien, kunnen zij door zichzelf voortdurend te zuiveren, en hun eigen zwakheden uit zich te laten wegvloeien (hen te overwinnen) in gebeden, offers, boetedoening, totale toewijding en zuiverende tranen van rouwmoedigheid".

Dan zegt MARIA:

"In het Hart van Jezus gedurende Zijn laatste dagen op aarde leefde slechts één verlangen: de terugverovering van de zielen op de krachten der duisternis, opdat Gods Plan van Heil zich totaal zou kunnen verwezenlijken en de aarde waarlijk opnieuw onderdeel van Gods Rijk zou worden, zoals dit bij de schepping van de mens was voorzien doch door de zondeval opgeschort was. Ik zal je laten lezen in het Hart van de Verlosser, opdat je de kern van Zijn Nalatenschap aan de zielen zou kunnen openbaren met Zijn eigen woorden".

Hierop toont Jezus mij in beelden datgene wat van de christenen wordt verwacht om de Werken van Christus in de wereld te helpen voltooien en tezelfdertijd hun eigen Verlossing te voltooien:

Jezus verlangt van Zijn volgelingen in het bijzonder de volgende zeven bestrevingen:

  1. betrachting van onvoorwaardelijke Liefde tot God en tot alle medeschepselen. Hiertoe behoren alle vormen van aanbidding en eredienst aan God, en van naastenliefde en zorgzaamheid jegens alle schepselen, met inbegrip van de dieren.

  2. volhardend aan zichzelf werken: de eigen zwakheden en tekortkomingen bestrijden, om zo te streven naar een wedergeboorte uit de Geest (een leven op een steeds hoger niveau, steeds dieper doordringend in het ware Goddelijk Leven), met andere woorden: De heiliging nastreven als enige en ware levensdoel.

  3. heldhaftige groei in de vergeving jegens de medemens, met inbegrip van een steeds verder groeiende verdraagzaamheid, mildheid, geduld met de zwakheden van de medemens, en een totale bereidheid tot verzoening in geval van onenigheden. Hierdoor ook uitroeiing van alle gesteldheden van wrok, wrevel en haat.

  4. van harte aanvaarden van alle beproevingen als geschenken van Gods Wijsheid: Dit is het omhelzen van het kruis op de eigen levensweg, en de erkenning van het kruis als het noodzakelijk instrument tot de volle uitrijping van de ziel tot het volbrengen van de opdracht die Gods Plan voor het individu heeft voorzien.

  5. zich volkomen schikken naar Gods Wil. Dit betekent: geen ongeduld, geen voortvarendheid, het aanvaarden van de Werken der Voorzienigheid zoals zij zich uitwerken en op het tijdstip waarop zij zich uitwerken, zonder de neiging tot menselijk ingrijpen.

  6. onvoorwaardelijk voorrang geven aan de belangen van Gods Rijk boven de eigen belangen. Dit betekent zelfverloochening ten bate van Gods noden.

  7. zich bestreven om drager te zijn van Gods Licht: in alle omstandigheden een boegbeeld worden in de blijmoedigheid, zachtmoedigheid, zuiverheid (in gevoelens, gedachten, verlangens, woorden en handelingen), en voor elk medeschepsel worden tot een bron van bemoediging, hoop en troost, en dus van kracht in alle ogenblikken van duisternis en lijden van dit medeschepsel.

Na de onthulling van deze verlangens van Jezus lees ik in Zijn Hart de volgende verzuchting:

"O Mijn Vader, welke volmaakte vreugde doorstroomt Ons in de aanblik van de Dochter van Uw welbehagen, Mijn Moeder, in wie dit alles aanwezig en werkzaam is in de grootste volmaaktheid die een geschapen ziel ooit zou kunnen bereiken. Daarom zal Ik Haar, in overeenstemming met Onze onfeilbare Wil en Beschikking, in het uur van de ontsluiting van het Paradijs aan de zielen toevertrouwen als de Kroon op Mijn Nalatenschap, de volmaakte Gids, de Sleutel tot de ontsluiting van Mijn Werken binnenin de zielen".

Het is duidelijk dat Jezus hier reeds verwijst naar Zijn voornemen om Maria onmiddellijk vóór het ogenblik waarop alles zal zijn volbracht (op het Kruis) aan de zielen te geven, en de zielen aan Haar te geven.

Daarop hoor ik een stem die, als het ware in antwoord op deze verzuchting in Jezus’ Hart, de volgende woorden laat weerklinken:

"Macht zal Zij hebben om alles te voltooien, opdat de tuinen van hen die in Ons geloven, onder Haar voeten de Eeuwige Lente in zich tot bloei mogen brengen, en Ons Rijk opnieuw in de zielen moge worden gevestigd".

(...)

Op de donderdag vóór de Goede Week van 2008 spreekt Jezus hardop door Myriam wenend de volgende woorden:

"O Vader, hiertoe ben Ik in de wereld gekomen. Laat hen, die Mij dierbaar zijn, niet merken wat hen te wachten staat, want zij zullen het gevoel krijgen dat dit alles hun krachten te boven gaat. Moge Onze Geest hen begeleiden op deze weg, die zo moeilijk is voor mensenogen en die veel te zwaar is voor een menselijke wil. Mag Ik hen de weg tonen met Mijn Goddelijke Wil, die van U is uitgegaan en die Ik met U gemeen heb tot het einde der tijden, voor altijd.

Vader, U hebt Mij gemaakt tot een Wijnstok. Maar U hebt ook elke ziel gemaakt tot een wijngaard, een wijngaard vol druiventrossen. Maar zij zijn niet bestemd om te dienen als verfraaiing van het landschap, doch om voedsel en drank te geven aan Ons hele Heilsplan dat zich moet voltrekken tot de laatste snik. Geen druif rijpt zonder dat Wij het zien. Geen druif rijpt ook voor zichzelf. Zij rijpt slechts tot voedsel voor anderen, en ooit komt de tijd waarin zij uitgeperst moet worden.

O Vader, geen druif heeft een betekenis op zich. Slechts wanneer zij uitgeperst wordt, krijgt zij de volheid van haar betekenis, want dan vervult zij de Waarheid waartoe zij bloeit.

O Vader, hoe kan Ik deze mensheid de Erfenis nalaten van Mijn Liefde. Geef Mij de woorden daartoe en geef hen het hart om die woorden op te vangen, en vooral om ze na te leven, en de kracht, o Vader, de kracht.

Vader, de mensheid is zo verzwakt door de erfzonde. Voor niets anders ben Ik in de wereld gekomen dan om die smet van het Heilsplan weg te vegen. De zwakke mens moet worden opgetild tot het niveau dat Wij voor hem hebben voorzien, en dat kan alleen wanneer Ik het hen voordoe.

Vader, Mijn Mens-zijn is bevreesd voor wat komt, maar Mijn Godheid verheugt Zich. O zoete Liefde, waartoe Ik ben gekomen. O zoete Liefde, van dewelke Ik ben uitgegaan.

Aanschouw de zoete Duif van Ons welbehagen, Maria. Moge Zij aan de mensheid worden gegeven voor altijd, want eens komt de tijd, waarin de Bruidegom niet meer bij diegenen is die Hij zo heeft liefgehad, althans niet meer tastbaar. Maar de Duif van Ons welbehagen zal er de eerste tijd wel nog zijn en zal hen voorleven, datgene waarvoor Ik heb geleefd, maar dat zij nu nog niet zien. En Onze Geest zal nogmaals van Ons uitgaan over de gehele Schepping om de zielen in herinnering te brengen wat Ik hen heb geleerd. En wanneer ook de Geest opnieuw is heengegaan, zal Hij een brandmerk in vele zielen hebben achtergelaten, en zalig zij die dit brandmerk in ere herstellen in hun bevlekte ziel, hun ziel die door de erfzonde is aangetast.

O Vader, het zal Onze Geest zijn, die de druiven in de wijngaarden der zielen tot groei en tot rijping zal brengen, en het zal het huwelijk tussen de Geest en de vrije wil van de mensen zijn, die er zal voor zorgen dat hier en daar een druiventros zich vrijwillig laat uitpersen om te blijven doen dat wat Ik hen heb voorgedaan. En dan zullen zij gedenken waartoe Ik ben gekomen, datgene wat zij nu nog niet kennen, wat zij binnen zo korte tijd vóór hun ogen zullen zien gebeuren, maar waarvan zij niet de diepgang zullen begrijpen. Het zal hen allemaal in herinnering worden gebracht.

En zalig de zielen die zich geroepen zullen voelen om zelf tot het uiterste te gaan om dit in hun eigen leven ook te voltrekken. Zoete wijngaarden van Christus, kleine lammetjes zijn jullie nu nog, maar hoe waardevol kan een lammetje worden, wanneer het zich aan de Vader geeft door de handen van Mijn Moeder. Kom toch, lammetjes, zo zwak, zo verlaten soms, en toch zo sterk, wanneer jullie jezelf aan Mij geven, en aan Mijn Moeder".

(...)

Palmzondag: Terwijl Jezus onder gejuich Jeruzalem binnenrijdt, wellen uit Zijn Hart in stilte gebeden op naar de Eeuwige Vader. Ik lees er onder andere de woorden:

"Vader, moge deze gesteldheid der harten de voorafspiegeling zijn van de definitieve grondvesting van Ons Rijk in de zielen. Wil hen dit aanrekenen als het verlangen naar de uiteindelijke overwinning van de Verlossing over hun wankelmoedigheid en over hun verleidbaarheid tot alle duisternis".

Even later:

"Vader, zo zal het zijn op de dag waarop Ons Rijk op aarde voorgoed zal worden gegrondvest. Dan zal het alleluja tot Ons opstijgen vanuit de gezuiverde harten die de Verlossing in zich hebben kunnen ontsluiten. De palmen zullen onverwelkbaar zijn, want de vijand der zielen zal hen niet langer verschroeien en van het water van Goddelijk Leven beroven, en de zon zal niet slechts vanuit de Hemel op de zielen stralen, doch vanuit de zielen op volmaakte wijze naar Onze Harten worden teruggestraald".

(...)

Ik zie Jezus op het groot terras van het landgoed van Lazarus te Bethanië, zoals ik dit een paar jaar geleden reeds in een visioen heb gezien. Het moet hooguit twee of drie dagen vóór Witte Donderdag zijn, want de maan is bijna vol, en in vroegere visioenen over de gebeurtenissen in de Hof van Gethsemani heb ik telkens gezien dat het in de nacht van het verraad van Jezus volle maan was. Ik zie Jezus in een intens gesprek tot de Eeuwige Vader. Ik lees in Zijn Hart, dat trilt van vervoering:

"O Mijn Vader, het uur is gekomen om U Mijn Testament van Liefde toe te wijden. Weliswaar is het U bekend, daar Onze Harten reeds één waren vóór de grondvesting der aarde. Doch Ik wil het U toewijden terwijl Ik nog in het Vlees ben, opdat het de mensheid tot groter Heil moge strekken. Wil het aanvaarden alsof het door alle mensenzielen tot U werd gericht. Ik wijd het U toe in het verborgene, opdat het geopenbaard moge worden wanneer Onze Tijd daartoe gekomen zal zijn. Dit is Mijn Testament van Liefde: dat alle zielen Mij zouden navolgen door de drie wegen van Mijn Leven in het Vlees ook in hun eigen leven te bewandelen:

1. Door glorie te geven aan U en aan wie door U wordt gezonden tot vertegenwoordiging van Uw heilige naam;

(het bijhorend beeld toont mij dat Jezus hier in feite Zichzelf, de Heilige Geest en Maria bedoelt – Jezus toont mij eveneens de Sacramenten)

2. Door Onze Eeuwige Waarheid te belijden, niet slechts in woorden, doch ook door het voorbeeld van een heilig en deugdzaam leven;

3. Door de kelk te aanvaarden die Onze Voorzienigheid voor hen bereidt, dag na dag, in Liefde en zonder verzet.

Dit, Mijn Vader, is wat Ik zozeer verlang, opdat de zielen de vruchten mogen oogsten die U voor hen hebt bestemd. Ikzelf ben de Akker die het zaad in zich draagt. Reeds is de ploeg in aantocht. Weinige uren nog, en zij zal de bruiloft sluiten met Mijn Bloed, opdat het zaad moge rijpen voor elke ziel die de oogst zal hoeden in het uur waarin zijzelf hiertoe zal worden geroepen, in regen en wind, onder de brandende zon en onder dichte nevelen.

O Vader, Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen de Ware Liefde leren kennen, het diep wezen van al Ons doen en laten en van hun eigen leven in Ons.

Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen mogen voelen wat hun God drijft in al Zijn beschikkingen voor hun levensweg en voor de hele mensheid.

Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen de onvoorwaardelijke Liefde herkennen als de enige bron van het Ware Geluk, de ware vreugde, de ware blijheid, de ware innerlijke Vrede.

Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen in zich het Vuur mogen vinden om zichzelf totaal te verloochenen opdat al hun medeschepselen de Ware Vrede en het Ware Geluk mogen vinden, doorheen hun daden, hun woorden en hun wijze van leven.

Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen voor al hun medeschepselen teken en bron van het Ware Licht mogen zijn: teken en bron van bemoediging, hoop en steun.

Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen de Liefde herkennen als het enige geneesmiddel voor alle onrust, alle twijfel, alle onvrede en alle bekoring.

Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen de ware en oprechte Liefde herkennen als de enige weg naar de ware innerlijke bevrijding, en daardoor als de enige weg naar de Eeuwige Gelukzaligheid.

Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen Mijn Moeder herkennen als de volgroeide Vrucht van de Liefde, en Haar in zich opnemen als de stem, het Licht en de hartenklop van hun God Zelf.

Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen de kracht mogen herkennen die uitgaat van de onvoorwaardelijke Liefde, dat zij mogen ervaren hoe het Bloed van hun God stroomt doorheen alle relaties met hun medeschepselen in de mate waarin zij in al hun medeschepselen een kiem van hun God herkennen.

Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen de Liefde zouden verheerlijken door de totale verloochening van hun eigen stoffelijk leven en hun eigen stoffelijke behoeften, in het bewustzijn dat Onze Geest hen dan boven hun zwakheden zal verheffen.

Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen mogen begrijpen dat Ik door U ben gezonden als Belichaming van het allerheiligst Verbond van Liefde tussen God en henzelf.

Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen de Liefde mogen herkennen als de Goddelijke macht die alle duisternis overwint.

Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen de Liefde mogen herkennen als de zon die alle vruchten van hun levenswerken laat rijpen opdat deze hen de Eeuwige Zaligheid zouden brengen, en reeds op aarde de ware innerlijke Vrede.

Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen mogen begrijpen en aanvoelen dat elk leed dat zij een medeschepsel aandoen, zij hun God hebben aangedaan, want dat hun God een vezel van Zijn Hart in al Zijn schepselen heeft gelegd.

Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen de oneindige macht van de verlossende en heiligende Liefde mogen leren vrijmaken uit Ons Goddelijk Hart, door de uiterste beleving van de vergevingsgezindheid en de restloze verzoening.

Ik verlang zozeer dat de zielen van alle komende eeuwen Mij mogen herkennen als Mens geworden Liefde, als het Voorbeeld voor de Liefde die bevrijdt en verheerlijkt door de aanvaarding van het kruis, en dat zij Mijn Werken mogen erkennen en aanvaarden als de Oogst van de Eeuwige Liefde".

Ik zie nu Jezus met de apostelen op de weg van Betanië naar Jeruzalem. Het moet in de vroege ochtend zijn. Langsheen de golvende weg zie ik akkers en tuinen die duidelijke tekenen van lente vertonen. Jezus loopt met gebogen hoofd, doch laat nu en dan Zijn blik over het landschap naast de weg gaan. Zijn gelaat straalt een enigszins dromerige, zachte droefheid uit. Ik lees in Zijn Hart de volgende toewijding:

"O Mijn Vader, niet lang meer zullen Mijn voeten de wegen der aarde gaan. Hoe mooi toch is Uw Schepping in deze tijd, doch hoe troosteloos is de aanblik der zielen. Nog ga Ik de weg naar Jeruzalem, de heilige stad die haar heiligheid heeft verkocht aan de duisternis. Ik wijd U deze tocht naar de tempel toe, opdat de zielen weldra mogen worden geheiligd, opdat zij mogen worden ontsloten voor Mijn intrede in hun tempel, en de lente ook in de zielen moge bloeien in zijn heilige schoonheid".

(de apostelen geven een ernstige aanblik, niettemin zie ik enkelen onder hen wat onderdrukt lachen om een zacht uitgesproken opmerking van Thomas, die ik niet woordelijk versta. Jezus bidt in Zijn Hart verder:)

"Vader, Ik bid om kracht voor dezen, die Mij drie jaar lang in hun midden hebben gehad. Ook hun lichaam is gebroken door de lange voetreizen en de zorgen om de zielen. Hoe zwaar worden de harten weldra beproefd. Mogen zij de kracht vinden om, meer dan ooit, alles prijs te geven voor de vreugden van de Eeuwige Lente in de zelfofferande voor de grondvesting van Ons Rijk. Zalig de zielen in alle eeuwen, die in heel hun hart zullen begrijpen en voelen hoe groot de herbeleving van deze uren is voor de ontsluiting van de schatten der Eeuwige Gelukzaligheid.

Ik wijd U alle zielen toe, die doorheen de eeuwen nog over de wegen der aarde zullen gaan, opdat het doel van hun tochten de grondvesting van Ons Rijk op aarde moge zijn. Mogen alle zielen zich de intrede in het allerheiligste van hun tempel tot bestemming van hun levensreis maken: de volle bloei van de heiligheid die U hen hebt gegeven bij hun schepping. Moge Mijn Weg hen tot Bron van Liefde en bezieling zijn, moge Onze Geest hen de stuwende kracht tot volharding schenken, en moge de Bloem van Ons Welbehagen (Jezus heeft het beeld van Maria voor Zijn geest) alle zielentuinen sieren en onderdompelen in de geur van de grootste heiligheid”.

(...)

Hof van Gethsemani: Boven Jeruzalem en de Hof van Gethsemani schijnt de volle maan als symbool voor het Licht van God in de duisternis der zonden, als Gods Teken van Hoop. Jezus kijkt naar de volle maan boven de Hof, en uit Zijn Hart wellen de volgende woorden naar de Eeuwige Vader op, doelend op alle zielen:

"Het licht van de volle maan zal Ik hen tonen in de troosteloosheid van hun nacht ..."

(Jezus toont mij nu Maria, die Hij vanop het Kruis op formele wijze aan de zielen zal geven. Hij stelt Maria hier dus symbolisch voor als de volle maan, en geeft uitdrukking aan het Goddelijk Plan om Maria aan de zielen te geven. Ook Maria Zelf vergeleek Zichzelf reeds meermaals met de volle maan), en Jezus verzucht verder:

"..... opdat zij hun duisternis mogen herkennen, maar ook de hoop op de overwinning van het Licht".

Deze woorden zijn heel rijk aan inhoud: Maria wordt voorgesteld als Zij die het Licht van God onbelemmerd en in zijn volheid naar de zielen doorstraalt. Jezus stelt hierbij Maria tot Voorbeeld van volkomen heiligheid en tot Teken van hoop voor de zielen die zouden twijfelen aan het vermogen van de geschapen ziel om de ware heiligheid te bereiken.

(...)

Omdat Jezus de Wil van God heeft aanvaard als de enige Factor die Zijn verdere lot zal bepalen, wordt Hem een engel tot steun gegeven. Zo zal het met elke ziel geschieden, die haar eigen noden en verlangens ondergeschikt maakt aan de noden van Gods Heilsplan voor alle zielen. In Jezus’ Hart lees ik de woorden:

"O Mijn Vader, hoe zwaar wordt Mijn Hart geteisterd door de verschrikkelijke aanblik van de zondelast der zielen. De zonden zijn talrijker dan het duizendvoudige van alle sterren, hun draagwijdte groter dan de oneindigheid der duisternis tussen de sterren. Zie, Ik bied U Mijn vermorzeld Hart om af te kopen dat de kiem van het oprecht berouw in zielen moge rijpen.

O Vader, is elke opflakkering van berouw in een ziel niet zoals een ster aan de nachtelijke hemel? O, hoeveel berouw is nodig om alle duisternis aan het uitspansel te veranderen in licht, opdat de mensheid moge worden bekleed met een mantel van Goddelijk Licht. Nergens ontmoet de ziel haar God op inniger wijze dan in het berouw over haar zonden en zwakheden. In het berouw wordt de bruiloft gesloten tussen de Liefde en het inzicht in Gods bedoelingen. In de rouwmoedige ziel rijpt de kiem van het Plan dat God met haar heeft: Zij begrijpt plots wat God met haar voorheeft en hoezeer zij dit Plan heeft verstoord, en zij bemint haar Schepper om de grootheid van Zijn Werken in en door haar. O welke vernedering voor de valse verleider is het berouw van de ziel.

O Vader, deze nacht geef Ik U Mijn Hart in ruil voor de zending van Onze Geest, opdat de kiem van het berouw moge rijpen in velen".

Ziehier de Liefde van God in de volheid van haar uitwerking: Jezus staat voor de totale vernietiging in het Vlees, is Zich van de draagwijdte van Zijn komende lijdensweg bewust, en denkt niettemin slechts aan de voltooiing van het Heil van de zielen. Uiteindelijk moet de Verlossing inderdaad door de heiligende werking van de Heilige Geest in de ziel worden voltooid.

(...)

Op zeker ogenblik zie ik uit Jezus’ Hart het volgende gebed naar de Vader opwellen:

"Moge Mijn overgave in deze kwellende onzekerheid voor alle zielen het vermogen van een blind geloof afkopen, opdat zij niet zouden wankelen in langdurige beproevingen".

Geseling: Tijdens de geseling lees ik voortdurend in Jezus’ Hart hoe Hij Zich moreel staande tracht te houden ondanks de onvoorstelbare pijnen: Uit Zijn Hart wellen eindeloze reeksen beelden naar de Eeuwige Vader op. Het inwendig formuleren van woorden wordt Hem bijna onmogelijk gemaakt doordat het openscheuren van bloedvaten en zenuwen Hem als het ware totaal verdwaast van pijn. Zijn geest, alle verstandelijk redeneren, lijkt spoedig in een andere wereld weg te glijden. Het bloed vloeit spoedig uit ontelbare wonden, zodat dit hoogheilige Lichaam, dat bovendien sedert ongeveer vijftien uren geen voedsel en geen water meer in zich heeft opgenomen, van minuut tot minuut verder aan kracht verliest.

De beelden van dit abstract gebed in Jezus’ Hart worden mij 'vertaald' in de volgende woorden:

"Mijn Vader, Ik laat Mijn Lichaam verscheuren opdat de macht van alle ijdelheid, van alle verleidingen die zich bedienen van het lichaam als middel, en de tirannie van alle lichamelijke genotzucht, verscheurd mogen worden in alle zielen die waarlijk verlost willen worden. Ik laat Mijn bloedvaten openscheuren opdat al het gif van lichamelijke bekoringen, dat Ik door de macht van de Liefde in Mij heb getrokken, met Mijn Bloed uit de zielen gedreven moge worden. Elk van deze slagen richt Ik tegen de poorten der hel. Ik bid U, dat vele zielen in alle eeuwen in rouwmoedigheid de diepe betekenis van deze geseling zullen mogen begrijpen, opdat door elke uiting van rouwmoedigheid de effecten van deze geseling mogen worden herhaald tegen de prins der duisternis, en deze effecten zijn werken van verwoesting mogen splijten".

Jezus geeft in deze woorden een modelvoorbeeld voor de mogelijkheid om zelfs het gruwelijkste lijden dat door mensen wordt aangedaan, tegen de duisternis te gebruiken. In de mate waarin zielen in Liefde en volle aanvaarding hun lijden aan God opdragen, wordt dit lijden gebruikt als een werktuig van genade waardoor de duisternis zichzelf onwerkzaam maakt. Zo zou de mensheid de Verlossing in korte tijd kunnen voltooien indien alle zielen hun lijden uitdrukkelijk tegen de duisternis zouden toewijden. Het is het verzuim van de ziel om haar lijden in Liefde toe te wijden, dat haar Verlossing en heiliging bemoeilijkt. De Meesteres van alle zielen wees hier reeds meermaals op, en de wijze waarop Jezus alle elementen van de Passie benadert, bevestigt dit. Tenslotte gaat het hier om een Heilswet, die van alle tijden is:

Lijden + Liefde + Overgave/Toewijding =

Verlossing = Eeuwig Geluk

Op zeker ogenblik tijdens de geseling, waaraan geen einde lijkt te komen, lees ik in Jezus’ Hart:

"O Vader, moge één van de vruchten van deze kwelling deze zijn: dat de zielen al hun beproevingen zouden aanvaarden door het bewustzijn dat niets, geen enkele kwelling, een leven op zich leidt, noch een eindpunt betekent: Aan alles komt een einde, en na de kwelling in dienst van God volgt Gelukzaligheid, ja deze wordt tijdens de kwelling bereid, zoals de druif eerst geperst moet worden om daarna te verblijden als de wijn die kracht schenkt. Ik bid om kracht voor alle zielen, die door de kwellingen der wereld worden achtervolgd en daardoor vergeten of niet meer kunnen geloven dat U, Vader, een God van Liefde bent, en dat het vast geloof in Uw Liefde alle striemen in hart en ziel geneest".

Jezus benadrukt hier nogmaals de bovenvermelde Heilswet, voor dewelke Hij doorheen de hele Passie het grootste voorbeeld uit de geschiedenis heeft gesteld.

Nadat Hij wellicht reeds verscheidene honderden geselslagen heeft gekregen (ik zie hoe Jezus op dat ogenblik reeds meer dood dan levend lijkt) welt in Zijn Hart het volgend bewijs van volmaakte zelfverloochenende Liefde op:

"O Vader, zelfs indien elk van deze slagen slechts één ziel zou verlossen, bid Ik U dat deze geseling nooit moge ophouden".

De geseling komt op mij over als een ongerechtigheid die het hart verplettert, doch in de eerste plaats leert zij, hoe onvoorstelbaar groot de nood aan uitboeting van de ontsporingen van de lichamelijkheid der mensheid is. Alle beelden die Jezus hier innerlijk schouwt, maken Hem buitengewoon verbeten in de volharding in deze verschrikkelijke kwelling.

(...)

De werking van Zijn geest lijkt op nul te staan, zodat Hij alles om Zich heen waarneemt zoals iemand die opgesloten zou zijn in een kooi die bestaat uit matglas. De gehoorsindrukken zijn vage, in elkaar vloeiende klanken. Woorden die Hij hoort, lijken geen steek meer te houden. Niettemin offert Jezus nog steeds (in beelden, niet in geformuleerde woorden), en lees ik in Zijn Hart de woorden:

"Laat de zielen toch begrijpen hoezeer de hoogmoed en de trots de ziel verdwaast en haar afsnijdt van Gods werkelijkheid".

Jezus richt dit gebed tot de Vader op het ogenblik waarop de voorbereiding voor de doornenkroning is begonnen.

(...)

Tijdens de doornenkroning vloeit bloed uit vele plaatsen van Jezus’ schedel en voorhoofd. In Zijn Hart lees ik:

"Vader, laat de ziel die zichzelf groot waant, begrijpen dat hoogmoed het Goddelijk Leven uit de ziel laat wegstromen".

(...)

Jezus offert Zijn veroordeling aan de Vader met de woorden:

"O Vader, Ik bied U Mijn Hart, vervuld van het verlangen dat elke ziel die nog op de wereld komen zal, op grond van dit ogenblik de kracht en de wil moge vinden om de wereld in zich te veroordelen, haar kruis op te nemen in Liefde voor Ons en voor de hele Schepping, en het offer van haar hele leven te verenigen met Mijn laatste reisgezel, met dewelke Ik spoedig de eeuwigdurende Bruiloft zal sluiten".

Jezus’ reisgezel is het Kruis, dat voor alle eeuwen met Hem verbonden zal blijven. Deze verzuchting stijgt uit het Hart van Jezus ten Hemel, terwijl Hij de bijtende pijnen van de geseling en de doornenkroon in Zijn Hart samenbalt en intens verlangt naar de bekroning van de Offerande der Eeuwige Liefde, waartoe Hij in de wereld is gekomen. Het is de volmaakte Liefde, die hier in Jezus de geringe kracht die Hem nog rest, zodanig concentreert, dat het mij toeschijnt alsof slechts de intense zielsverrukking Zijn Lichaam het nodige leven inblaast om de laatste fase van Zijn Passie voor de mensheid aan te vatten.

(...)

Op de binnenplaats van de Romeinse burcht wordt Jezus bij het Kruis gebracht. Ik zie hoe Hij ernaast op de knieën valt, het teder omklemt, en weent. Zijn Hart brandt, en de Eeuwige Liefde laat mij de volgende verzuchting uit dit vurige Hart aflezen:

"O Vader, voor de bruiloft met dit Kruis ben Ik in de wereld gezonden. Zo heeft Uw Wijsheid het beschikt, dat Uw Zoon de bruiloft zou sluiten met het Kruis dat de Verlossing zal bezegelen, doch dat de vruchten uit deze bruiloft slechts geboren kunnen worden in het hart van elke afzonderlijke ziel, door haar eigen omhelzing met het kruis van haar leven. O Kruis, hoezeer heb Ik u lief. De Eeuwige Gelukzaligheid zult gij brengen aan velen, want door Mijn bruiloft met u zullen de verwoestende uitwerkingen van de erfzonde uitgeveegd worden uit elke ziel die u in Mijn navolging zal liefhebben op de kruisweg die haar eigen leven zal zijn. Aan u gehecht, zal Ik sterven in het Vlees, opdat alle zielen die u beminnen, mogen sterven aan de behoeften en begeerten van het vlees, en opdat hun heiligheid moge leven".

Op dit ogenblik verlangt de Verlosser vurig dat de opneming van Zijn Kruis elke ziel bereid zou maken om elke dag opnieuw het kruis van haar lasten op te nemen, het te omhelzen uit Liefde tot Jezus, en het aan Maria op te dragen tot uitboeting van de zonden der wereld. Maria bevindt Zich niet in de onmiddellijke nabijheid van Jezus, doch is in het Hart op de meest intense wijze met Hem verbonden. Het behoort tot de vurigste verlangens van de Verlosser dat de mensenzielen van alle eeuwen in zich de genade tot vrucht zouden brengen, deze verbondenheid tussen Zijn Hart en dat van Maria te erkennen en in de onvolprezen verlossende macht ervan te geloven.

(...)

De wankeling van Jezus bij het opnemen van het Kruis staat symbool voor de enorme zondelast van de mensheid van alle eeuwen – bedenken wij bovendien hoe uitgeput Jezus op dat ogenblik reeds is. Terwijl Hij het Kruis draagt, krijgt Hij nog geregeld slagen. Jezus bidt in de beslotenheid van Zijn Hart:

"O Vader, moge dit alles de kracht bekomen voor de zielen die, terwijl zij de overtredingen van Uw Wet uitboeten, hierbij gehinderd zullen worden door de slagen die duistere krachten hen zullen toebrengen door vervolging en tegenkantingen van allerlei soort. Moge het ook de wankelmoedigen helpen om zonder aarzeling te kiezen voor het Ware Licht, want slechts de schijnlichten der wereld kunnen de ziel zo verblinden dat zij wankelt".

Wankelend onder het Kruis zie ik Jezus in de overwegend smalle stegen van Jeruzalem.

(...)

Even verder ziet Jezus Zijn Moeder langs de weg, de enige ziel die Hem op dit ogenblik waarlijk op de been kan houden. Op Jezus komt Zij, ondanks het feit dat Haar wondermooie Gelaat door Smart is getekend, over als een visioen uit het Paradijs: Jezus ziet dwars doorheen de ziel, en wordt daarom in verrukking gebracht door de schittering van Maria’s heiligheid, die nooit door de erfzonde noch door enige misstap is bevlekt. Maria staat niet rechtop, Zij zit geknield, want bij het naderen van Jezus heeft Zij Zich op de knieën laten glijden, onhoorbaar wenend, als in aanbidding voor de Eeuwige Liefde, die hier schittert in de volheid van haar Vuur. Achter Haar zie ik apostel Johannes, met de handen in elkaar gestrengeld tegen de borst en met een ontsteld gelaat.

Bij het zien van Maria krijgt Jezus als het ware een injectie van levenskracht. Het is alsof Zijn laatste krachten zich in Hem samenballen. Hij drukt in mijn hart, dat de gevoelens die nu door Hem heen gaan, symbool staan voor de wedergeboorte die elke ziel uit het contact met Maria kan halen. Hij ziet in Haar de aanblik van de volmaakte Verlossing en Heiliging, als een stuk Hemel in deze poel van verderf en zonde. Jeruzalem lijkt vandaag inderdaad uitermate vijandig, al zie ik eveneens waarlijk bedroefde en zelfs bijna wanhopige gezichten. Ik mag hier een beeld aanschouwen dat uitdrukking geeft aan de toestand zoals hij steeds zal blijven: Jezus en Zijn Leer als Tekenen van tegenspraak, met een minderheid van vrienden en een meerderheid van vijanden, onverschilligen en niet-begrijpenden.

Jezus’ Hart, dat niet heeft opgehouden, in mysterievolle beelden tot de Eeuwige Vader en tot Zijn Moeder te spreken, spreekt nu in de stilte de volgende duidelijke woorden:

"O Vader, druk dit beeld in Mij, opdat het Mij moge bemoedigen in de kwellingen die nog komen. Zie de volmaakt Zondeloze, die al Mijn pijnen en kwellingen heeft meebeleefd tot in Haar allerreinste vlees. O Verrukking duizend maal groter dan alle engelen die Gij hebt gemaakt. O Teken van Hoop, dat Mijn Werken in de zielen naar hun voltooiing zal leiden. Nog kent de wereld Haar niet, en door velen zal Zij ook nooit aanvaard worden voor wat Zij werkelijk is. Ondersteun Haar in deze kwelling der kwellingen".

Maria omhelst Haar Zoon op een buitengewoon eerbiedige en zachte wijze. Gedurende enkele ogenblikken kruisen Hun heilige blikken elkaar. Voor Jezus lijkt het alsof Hij opnieuw de Hemel aanschouwt, want Maria’s ogen zijn de spiegels van het Onbevlekte Paradijs van zondeloosheid en volmaakte Liefde – de volkomen in ere herstelde mensenziel. Jezus, wiens blik totnogtoe in het oneindige leek te staren, lijkt plots nieuw leven te ontvangen. Nochtans voel ik hoe Jezus’ Hart bij de aanblik van Maria als het ware openscheurt onder de invloed van twee geweldige, aan elkaar tegengestelde krachten: enerzijds de nieuwe moed die Hij ontvangt doordat Haar volmaakte Liefde Zich als een wollen mantel om Zijn Hart hult, en anderzijds het besef van de hartverscheurende Smart die Zij nu ondergaat. Maria is hier waarlijk de Medeverlosseres, die met de Verlosser gedurende enkele ogenblikken de diepste gevoelens van pijn over de zonde en de zwakheid der zielen uitwisselen van oog tot oog, van Hart tot Hart, van ziel tot ziel. Het intens gezamenlijk Lijden, dat zich totnogtoe in het verborgene van de lichamelijke scheiding had voltrokken, wordt hier bezegeld door het oogcontact, waarin de mystieke en de menselijke zijde ervan één worden.

Voor Jezus is het nu ten volle alsof Maria mee Zijn Kruis draagt, want God heeft het zo beschikt dat Zij in deze korte ontmoeting zowel een golf van Goddelijke kracht zal ontvangen, alsook Zelf tot in het diepste van Haar Wezen het Lijden van Jezus zal meedragen. Uit Haar mond komt nauwelijks een klank, uit Haar Hart schreeuwt echter de pijn om de Smart die God sedert de zondeval elke dag ontelbare malen is aangedaan, en waarvan Zij de tekenen vóór Zich ziet en voelt in de gesteldheid van Haar Goddelijke Zoon.

(...)

Jezus’ Hart is nu zo totaal op de Godheid en het Goddelijk Heilsplan gericht, dat het in een gebed lijkt te veranderen:

"Vader, door de naderende voltrekking van Mijn bruiloft met het Kruis, geef dat alle zielen die Mij oprecht willen navolgen, ook de bruiloft met hun kruis mogen voltrekken in de opoffering van hun wereldse behoeften en in een totale bekering naar het leven in dienst van Onze Werken, tot het Eeuwig Heil van velen".

Terwijl Jezus enkele ogenblikken wezenloos naar de top van Golgotha staart, wordt mij het Vuur van Zijn verlangen getoond. Hij leeft waarlijk in een andere wereld, in de enige werkelijkheid die waarde heeft voor alle zielen: de Hemelse, alsof Hij 'bezeten' is door de drang om Gods Heilsplan te ontsluiten voor alle eeuwen. Het is deze golf van Liefde en van hoop, en de verbeten Wil om zielen te redden, die Hem overeind halen. Hij leeft werkelijk uitsluitend voor de voltrekking van de bruiloft met het Kruis, en voor de ontsluiting van de Hemel voor velen.

(...)

De ziel staat hier dus als het ware op de top van haar leven (de top van Golgotha), boven dewelke de Hemel zich weldra zal openen. Wanneer Jezus van Zijn kleren wordt beroofd, laat de ziel die Hem wil navolgen, zich van alle uiterlijke schijn beroven om onbekleed voor God te verschijnen zoals zij werkelijk is, met al haar zwakheden, maar ook als het ware opdat zichtbaar moge zijn vanuit welke innerlijke gesteldheid haar offer wordt gebracht. Bij Zijn ontkleding verzucht Jezus in het diepste van Zijn Hart:

"O Vader, mogen de zielen van alle tijden zichzelf leren zien zoals zij werkelijk zijn. Mogen zij niet verblind blijven voor zichzelf. Mogen zij uit eigen vrije wil de offerande van de kruisweg van hun leven op aarde bekronen door de overgave van alles waarachter zij steeds hun ware wezen hebben verborgen. O Vader, U en Ik doorgronden de diepten van harten en zielen, doch zalig zij die zich uit eigen vrije wil aan Ons vertonen zoals zij werkelijk zijn, met al hun zwakheden. Slechts zij zullen het Licht van de zon boven hun Golgotha in zich opnemen en Mijn Werken in hen tot bloei zien komen. In hen zal de Graankorrel tot Brood van Eeuwig Leven worden. O moge de wind van de Heilige Geest hun onbeklede wezen omhullen, opdat zij in hart, geest en lichaam gezuiverd mogen worden".

(...)

Met het derde Kruiswoord "Vrouw, ziedaar Uw zoon; zoon, ziedaar uw Moeder" vertrouwt Jezus de hele mensheid, alle zielen, aan Maria toe. Hij openbaart hier de uiteindelijke eeuwigdurende opdracht van Maria: Moeder en Meesteres van alle zielen te zijn. Hij vertrouwt ook omgekeerd Maria aan de zielen toe, opdat de zielen hun zielengroei steeds door en met Haar, zouden trachten te voltooien, en zij zich helemaal aan Haar zouden toevertrouwen (totale toewijding! – waarbij de ziel Maria 'bij zich in huis neemt', in de kern van haar wezen).

Jezus maakt mij deelachtig aan de verzuchting die op dit ogenblik uit Zijn Hart naar de Eeuwige Vader toe opwelt:

"Vader, moge Zij, zoals Wij het voor alle tijden hebben beschikt, nu Diegene zijn, die Mijn rol voor de zielen verder zal zetten. Moge Zij nu voor alle tijden Mijn Werken in hen voltooien, in de mate waarin zij zich vrijwillig aan Haar zullen geven. Moge Zij, die tot deze opdracht als Medeverlosseres met Uw Christus is gezalfd, nu in deze hoedanigheid worden verzegeld, en moge Zij het Heil van alle zielen van goede wil ontsluiten op kracht van de sleutel der Verlossing, die Ik thans in hen allen heb gelegd en waarover Zij, Mijn eeuwigdurende Moeder, de Dochter van Uw welbehagen en Bruid van Onze Geest, alle macht zal hebben, omdat de onfeilbare Wet van Onze Barmhartigheid dit voor alle tijden zo heeft beschikt. Moge op grond van Mijn Offer met eeuwigdurende geldigheid, en van Haar heilige volharding in deze Smart, Haar vlekkeloos Hart het Licht van de Hoop en de Liefde wekken in alle zielen die geloven dat Ik voor hen de sleutel tot de Eeuwige Gelukzaligheid heb vrijgekocht, en dat Mijn Moeder door Ons is gekozen als de gouden Wegwijzer naar de Poort waarop deze sleutel past".

En de leerling nam Haar bij zich in huis... Geen woorden kunnen ooit beschrijven, hoezeer Jezus in deze ogenblikken heeft verlangd dat alle zielen Maria in zich (in het huis van hun ziel) zouden opnemen door totale toewijding aan Maria, waarbij Zij in de ziel kan leven en heersen, omdat Zij van God de macht en de Wijsheid heeft gekregen om elke ziel naar de poort van het Eeuwig Heil te leiden.

(...)

Bij het vierde Kruiswoord "Ik heb dorst" welt in Jezus’ Hart het volgend gebed op:

"O Vader, ontsluit toch nu de Bronnen der Eeuwige Genade, die Ik thans met al Mijn Bloed heb gevuld. Moge geen ziel meer dorst hebben, tenzij naar de vervulling van Uw Wil, die het Ware Leven geeft. O geef Mij zielen, opdat Ik hen kan dopen in het Water van Goddelijk Leven, dat voor eeuwig zal stromen door de offerande van Mijn Bloed. De Goddelijke Ruil, o Mijn Vader... Mijn Bloed voor hun Verlossing... Mijn dorst voor hun lafenis".

(...)

Bij het vijfde Kruiswoord (in het Aramees "Eloi, Eloi, lama sabakthani?") wellen uit het Hart van Jezus in stilte vol droefheid de woorden op:

"O Vader, hebben Wij de mensenziel niet voorzien als Onze vertegenwoordigster naar elk schepsel toe? Waarom dan, zullen in Onze Schepping zovele schepselen het gevoel hebben dat Wij niet bestaan, of dat Wij onverschillig zijn voor hun lot? O moge dit Lijden de zielen de Liefde instorten, die hen in staat zal stellen en hen met de wil zal vervullen, hun medeschepselen te laten voelen dat deze Schepping door de Liefde wordt bestuurd, en dat God geen enkel van Zijn schepselen ooit verlaat. Mogen zij, in Mijn navolging, elk medeschepsel met de vreugde van Onze Tegenwoordigheid vervullen, die door hen heen doorheen de Schepping zal stromen naarmate hun eigen geloof, hoop en Liefde, en hun eigen wil om één met Ons te zijn, zullen groeien".

(...)

Bij het zesde Kruiswoord "Het is volbracht": Luisteren wij naar de verzuchting in het Hart van de Verlosser:

"O Vader, Mijn hele Leven als de Mensenzoon op deze aarde heb Ik geleid in het volle bewustzijn dat Ik van U ben uitgegaan en dat Ik niet naar U terug zou keren alvorens Ik alles zou hebben volbracht waartoe Ik in de wereld was gezonden. Niets heb Ik achterwege gelaten om de mensenzielen Mijn Liefde te bewijzen, deze Liefde in hen te zaaien, en het zaad te begieten met de tranen van Mijn verlangen naar hun Ware Geluk. Thans weet Ik dat het volbracht is, want Ik heb alles gegeven wat Mijn Lichaam aan Goddelijk Leven in Zich had gekregen, en Mijn Hart zal zich voor alle eeuwen over het zaad blijven uitstorten. Geen werk van duisternis, of het zal ooit door Ons Licht worden ontmaskerd en ontkracht. Geen ellende, of zij zal ooit worden opgenomen in de Eeuwige Gelukzaligheid en Vrede, en in de Liefde waarin Ons Rijk op aarde gedrenkt zal zijn. Het is volbracht voor alle tijden, en het zal volbracht zijn in elke ziel, die met een oprecht hart zal verlangen om Ons toe te behoren, en om van harte te kiezen voor het kruis in verloochening van de verlokkingen en de dwaallichten der wereld".

(...)

Zo leren wij uit de zeven Kruiswoorden van de Verlosser de lessen die voor de zielen zouden kunnen dienen als richtlijnen op hun weg naar de ontsluiting van de schat der Verlossing in zichzelf:

  1. Schenk totale en onvoorwaardelijke vergeving aan hen die jegens U misdoen.

  2. Erken Uw eigen zwakheid, zondigheid en schuld jegens God, wees rouwmoedig, geloof in Christus als de Verlosser, en koester een oprechte hoop op de uiteindelijke Verlossing.

  3. Wijd U totaal en onvoorwaardelijk aan Maria toe.

  4. Verlang onophoudelijk naar de voltooiing van Gods Heilsplan.

  5. Wees in alle omstandigheden jegens al Uw medeschepselen een spiegel van God, en maak Zijn Tegenwoordigheid voor hen voelbaar.

  6. Bezin U over Uw ware roeping en levenstaak, en tracht deze met de hoogste vruchtbaarheid te verwezenlijken.

  7. Gedenk Uw hele leven lang, maar vooral in Uw stervensuur, dat U God toebehoort, en dat U naar Hem terugkeert door Hem Uw verlangen daartoe te kennen te geven.

(...)


Hier eindigt de compilatie van verzuchtingen uit het Goddelijk Hart van de Lijdende Verlosser. In de context van Haar Passie-oproep verwijst de Moeder van Smarten de zielen ook naar Haar inspiratie met de titel Het Zaad der Verlossing, dat kan worden gevonden in het menupunt Onderrichtingen > Korte onderrichtingen.