TOTUS TUUS MARIA !

DE MAAN IN DE NACHT

Onderrichting van de Allerheiligste Maagd Maria

over de ware Roeping van elke ziel en de Bloei der harten

Myriam van Nazareth

God schept elke ziel met de bedoeling dat zij door haar leven op aarde haar bijdrage zou leveren tot de verwezenlijking van Gods Plan van Heil voor de wereld. Dit Plan van Heil voorziet de heiliging van alle zielen en de grondvesting van Gods Rijk op aarde. Opdat een ziel geheiligd zou worden, moet in haar het Goddelijk Leven gevestigd worden. Het Goddelijk Leven is het leven in de ware heiligheid. Het Goddelijk Leven in de ziel wordt slechts gevoed door de ware, onvoorwaardelijke Liefde, omdat de Liefde de essentie van de kracht van God en van het Leven is. God rust elke ziel bij haar schepping uit met een kiem van heiligheid, die het Goddelijk Leven in zich bergt. Deze kiem wacht daar om open te bloeien door de versmelting tussen Gods Genaden en de inspanningen van de ziel om naar volmaaktheid te groeien. De heiliging is dus de uiting van de vruchtbaarheid van de ziel die aan zichzelf werkt, en dit werk voortdurend door Gods Licht laat bestralen.

Het is alsof de Schepper onophoudelijk als een Magneet naar Zijn eigen Werken wordt getrokken. Deze aantrekking ontspruit uit de ware, totale Liefde, die de grootste eigenschap van God is. Als een wind die nooit luwt, lijkt God voortdurend de adem van Leven over elke ziel te laten strijken. Deze adem is vervuld van de ware levenskracht: de Liefde. God verwacht van elke ziel dat zij deze adem volledig in zich opneemt en ongehinderd laat verder stromen. De mate waarin elke ziel dit doet, bepaalt de levenskracht van de hele Schepping. Gods almacht zou op zich volstaan om de hele Schepping in stand te houden, doch de Allerhoogste wil de actieve inzet en medewerking van alle zielen aan de voltooiing van al Zijn Werken. Deze inzet en medewerking is gebrekkig, vanwege de enorme zondelast die door de mensheid is verzameld, en de talloze ondeugden die elke dag opnieuw worden begaan. Elke zonde, elke ondeugd, elke nalatigheid van elke ziel vormt op zich een hindernis in de doorstroming van Gods Liefde doorheen de Schepping, en dus van de bloei van het Goddelijk Leven in de zielen.

Om deze wereld om te vormen tot Gods Rijk, moet elke ziel meebouwen aan de fundering van dit Rijk van de Ware Liefde en Vrede. Precies het herstel van de stroming van de Ware Liefde in de Schepping, is de bouw van deze fundering. God schept de ziel naar Zijn beeld en gelijkenis. Elke afwijking van Gods Wet, door zonden, ondeugden en allerlei onvolkomenheden in de navolging van Jezus Christus, de Zon van het Goddelijk Leven, vervormt in de ziel het beeld dat haar op God doet gelijken. Wanneer wij ons God voorstellen als de Zon, moet elke ziel zijn als een volle maan, die het zonlicht naar de Schepping toe weerkaatst en daarbij licht geeft zonder te verblinden. Hoe meer men een bepaald wezen liefheeft, des te vuriger zal men trachten, op dat wezen te lijken en de eigenheden van dat geliefde wezen in zich op te nemen. Welnu, de ziel die al haar Liefde richt op de Goddelijke Drie-Eenheid en op Maria, Die door God aan de zielen is gegeven om deze in het Hart van de Godheid binnen te leiden – zal meer en meer leven zoals Maria, en dus zoals God Zelf verlangt dat de ziel leeft, want Maria is de volmaakte volle maan: Zij heeft het Licht van God in zijn totaliteit in Zich opgenomen en is hierdoor in staat om de hele Schepping volmaakt aan God en aan de macht van het Licht te herinneren.

Elke ziel ziet zichzelf in wezen voor deze opdracht geplaatst: Zij moet een leven betrachten dat een maximale vruchtbaarheid verwezenlijkt, opdat God moge oordelen dat haar leven een positieve bijdrage heeft geleverd tot de voltooiing van Zijn Plan.

Hoe moet de ziel deze grote opdracht aanpakken? Zij moet zichzelf in staat stellen om Gods Liefde volkomen in zich op te nemen, in zich te verwerken, en hierdoor te groeien in heiligheid. Hoe heiliger de ziel wordt, des te groter wordt de mate waarin zij Gods kracht, Gods Liefde, het Goddelijk Leven om zich heen kan verspreiden, en des te groter wordt haar bijdrage tot de bouw van de fundering van Gods Rijk op aarde. Eén van de grootste opgaven voor dewelke elke ziel zich gesteld ziet, is deze: de Liefde in de hele Schepping te helpen ontsluiten: zowel in de afzonderlijke elementen van de Schepping als in de onderlinge relaties en contacten tussen deze elementen. De Allerheiligste Maagd Maria geeft Haar kinderen hiertoe de volgende TWAALF SLEUTELS:

  1. Het herstellen van de zelfwaarde van elke ziel. Elke ziel bevat de kiem van de heiligheid, een haard van Goddelijke inwoning. God heeft met ELKE ziel, ook met deze welke in de ogen der mensen de geringste waarde heeft, een Plan. ELKE ziel moet een specifieke bijdrage leveren tot de voltooiing van Gods Heilsplan. Dit betekent meteen dat ook langdurig zieken en gehandicapten een welomlijnde functie voor God vervullen. Precies om deze reden worden moord, euthanasie, verwaarlozing en minachting ten aanzien van om het even welke mens door God als zware zonden aangerekend: deze handelingen beletten God om Zijn Plan via deze mensen te voltooien. Ook de ongeborenen dragen in zich een taak binnen Gods Plan. Wanneer een ongeboren kind geaborteerd wordt, kan God dit deel van Zijn Plan niet meer ten uitvoer leggen. Om deze reden wordt abortus door God als zware zonde aangerekend.

    Elke handeling waardoor een mens ontwaardigd wordt, zoals foltering, mishandeling, opzettelijk toebrengen van slagen, schending van reinheid of maagdelijkheid, geestelijke kwelling, opzettelijk verdriet of leed berokkenen, of systematische en georganiseerde ontwaardiging (zoals onder diverse politieke regimes in kampen is gebeurd en nog gebeurt), blokkeert de doorstroming van Gods Licht tussen zielen en geeft voedsel aan gesteldheden van duisternis zoals wrok, haat, wraakzucht, enzovoort.

    Eén van de kanalen via dewelke dagelijks ontelbare schepselen in hun waardigheid worden aangetast, is agressie in zijn vele vormen (in handelingen en woorden). Agressie kan in het medeschepsel (mens of dier) het vertrouwen zodanig verwoesten dat dit schepsel niet meer in de Goddelijke Liefde en de schoonheid van Gods Werken gelooft. In een atmosfeer van angst en wantrouwen wordt de liefdesstroom gebroken. Hoe groot is het daarom in Gods ogen wanneer een ziel haar medemensen en de dieren waarmee zij in aanraking komt, in alle omstandigheden met zachtheid benadert en vertrouwen inboezemt. God heeft de mensenziel het beheer over Zijn Schepping toevertrouwd. Een goed beheerder behandelt datgene wat hem vanwege de eigenaar is toevertrouwd, met onberispelijke zorg. Zo moet elke ziel omgaan met haar medemens en met alle dieren, in het bijzonder deze welke de Goddelijke Voorzienigheid onder haar hoede heeft gesteld. Wij zijn op deze wereld van niets eigenaar, doch huurder: Elke ziel, elk dier en elke plant blijft Gods eigendom.

    Op elke ziel rust de plicht, haar medeschepselen zozeer onder te dompelen in de Ware Liefde, dat deze leren, zichzelf te aanvaarden, dat zij genezen kunnen worden van alle verwondingen en complexen, en dat zij in hun eigen leven ervaren dat God bestaat en hen niet vergeten is. In het dagelijks leven doen zich vele gelegenheden voor waarbij een mens zijn medemens het gevoel kan geven dat hij nuttig is, dat hij meetelt, dat hij niet afgeschreven is, dat hij iets positiefs kan betekenen. Dit gevoel kan een hart laten openbloeien. Vergeten wij nooit dat ook de minst validen onder ons een welbepaalde functie vervullen binnen Gods Plan en daarom als volwaardig beschouwd moeten worden.

    Evenzo is het van belang dat men in zijn medemens eerder zoekt naar goede kwaliteiten en eigenschappen, en deze beklemtoont en aanmoedigt, dan dat men op het minder goede begint te vitten. Bemoediging vormt de ziel, ontmoediging vervormt haar.

    Er moet op gewezen worden dat het in Gods ogen noodzakelijk is, dat de zielen deze opgaven eveneens toepassen op dieren. Het dier heeft geen ziel zoals de mens, en heeft geen deel aan het Verlossingsplan. Dierenleed heeft hierdoor geen verlossende waarde, MAAR... God oordeelt de mensenziel op de wijze waarop zij met mens EN dier omgaat, want de dieren zijn ons toevertrouwd opdat wij met hen zouden omgaan zoals God Zelf dit zou doen. De mens vertegenwoordigt als het ware God jegens de dieren, want hij is de ambassadeur van God voor de hele Schepping. Om deze reden vervullen dieren onrechtstreeks – via het gedrag van mensen – een rol binnen Gods Heilsplan, en om deze reden rekent God ook elke ontwaardigende handeling jegens dieren aan als een zonde OMDAT elke dergelijke handeling een overtreding op Zijn Wet van Liefde vormt.

  2. Het bestrijden van alle bitterheid. Een ziel die teleurgesteld is in het leven, in bepaalde situaties of in bepaalde relaties met mensen, kan verbitterd worden. In deze ziel stroomt Gods Liefde niet meer vrij. Bitterheid is als een taaie schil die zich omheen de ziel sluit, waardoor deze zichzelf van Gods Licht begint af te sluiten. Door de gebrekkige stroming van de Ware Liefde, vermindert de echte levenskracht in deze ziel en is zij nog slechts beperkt of niet meer in staat om Ware Liefde te geven. Het is daarom belangrijk dat de ziel een verbitterd medemens helpt om met zichzelf, met zijn verleden, met zijn huidige levenssituatie en met zijn medemensen in het reine te komen. Bitterheid brengt bittere vruchten voort, zodat elk schepsel – mens of dier – dat met een verbitterde ziel in aanraking komt, niet het Licht van Liefde, blijmoedigheid en hoop waarneemt, doch de duisternis van wrok, ongeloof, teleurstelling, pessimisme en ontmoediging. Een verbitterde ziel inspireert haar omgeving niet tot een gesteldheid van vertrouwen noch tot blijmoedigheid. Zij spreidt over haar omgeving een deken van zwaarmoedigheid uit, dat de harten langzaam verstikt bij gebrek aan de zuurstof van de ware bezieling. Een hart dat niet meer ademt, wordt vervuld van gisting. In een gistende bodem sterft langzaam de roos van de Liefde.

  3. Het rechtvaardigen van de Ware Hoop. Hoop is de gesteldheid waardoor de ziel het zo ziet dat alle duisternis slechts schijn is, en het Licht de ware werkelijkheid is. Hoop is in feite de deugd waardoor de ziel erin slaagt om zo te leven alsof het Licht reeds de duisternis heeft overwonnen. De ziel die doordrongen is van de Ware Hoop, put nu reeds kracht uit de overtuiging dat haar toekomst beter zal zijn dan haar heden, en dat God alle negatieve en duistere ontwikkelingen op Zijn tijd volledig compenseert en dat Hij daarbij alle leed honderdvoudig vergoedt door het leven van de ziel zelf veel vruchtbaarder te maken en hieruit zaad van Goddelijk Leven te bereiden voor vele andere zielen. Waarlijk hopen, is reeds het Goddelijk Leven van het Paradijs in het hart meedragen, en daaruit blijheid, vreugde en vertrouwen putten. In Gods ogen is het iets groots, een medemens die de hoop heeft verloren, opnieuw het Licht te laten ervaren, door hem een voorbeeld te stellen en door op onverdroten wijze moed en bemoediging onder de medemensen te verspreiden. Wie een medeziel redenen geeft om waarlijk te hopen, herstelt in deze ziel het ware Leven, wekt deze ziel op uit een toestand van verlamming of onwerkzaamheid en laat deze ziel de Ware Liefde herontdekken, door haar te laten voelen dat God Liefde is en dat Hij dus niet zou toestaan dat een ziel voor eeuwig ongelukkig zou zijn, zolang zij op Hem blijft vertrouwen.

  4. Herkennen van de Goddelijke oorsprong van alle schepselen. Elk schepsel is een wonder uit Gods hand. Hij heeft elk schepsel met oneindige Liefde gemaakt, en wat de mensenziel en de hogere diersoorten betreft, heeft Hij hen toegerust met het vermogen om Zijn Liefde op vele uiteenlopende wijzen door te geven. Wie oog heeft voor de vele uitingen van Gods Liefde in de natuur en voor de schoonheid van de Schepping en van een liefdevolle ziel, kan Gods Aanwezigheid in alles leren aanvoelen. Wek in Uw medemens opnieuw het hart van een kind, dat zich verwondert over de oneindige details waarvan God de Schepping heeft voorzien. Geef elk schepsel (medemens of dier) dat geestelijke en emotionele wonden heeft opgelopen, redenen om opnieuw te vertrouwen in God en in het Goddelijke in de medeschepselen, en onvermoed krachtige stromingen van Liefde zullen op gang komen. Het is heel belangrijk dat ieder van ons zo zou leven dat hij/zij zelf Gods gesteldheden naar alle medeschepselen toe tracht te vertegenwoordigen. Een gewond schepsel – mens of dier – dat in een medeschepsel Gods Tegenwoordigheid en werking aanvoelt, is vroeg of laat zelf opnieuw in staat om de Liefde te laten stromen en hierdoor de Ware Vrede om zich heen te verspreiden.

    Het hart dat openstaat voor de stroming van de Goddelijke Liefde, voelt God doorheen de hele natuur ademen. In elke bloem, in elke boom, in elke struik neemt het Gods Liefde waar. Omdat deze Liefde de kracht is die de hele Schepping in stand houdt, moet elke ziel elk medeschepsel respecteren. Het is bijvoorbeeld een overtreding tegen Gods Liefde en tegen de Goddelijke Werken (die ononderbroken aan de gang zijn), wanneer een ziel de plantenwereld doelloos beschadigt. Een uitzondering op deze regel is het rooien van bomen en onkruid voor zover het gebeurt in het kader van een oordeelkundig geplande bos- en tuinbouw.

    De grootste hinderpaal in de vertegenwoordiging van Gods Liefde naar de Schepping toe, is het denken: Gods Liefde wordt slechts gevoeld, in zich opgenomen en verwerkt, en doorgegeven, via het hart, het gevoelsleven. Alle denken wordt gemakkelijk en snel bezoedeld door wereldse invloeden. Om deze reden zijn dieren vaak het best in staat om gesloten, gewonde harten te openen: Zij denken niet, doch leven vanuit het gevoelsniveau. Daarom slagen dieren er vaak het beste in om oprechte Liefde om zich heen te verspreiden en gevoelens van echte Liefde in de mens naar boven te halen. Een hart dat (opnieuw) in staat wordt gesteld om Liefde te voelen, opent zich, en kan opnieuw in de stroom van Gods Liefde en het Goddelijk Leven ingeschakeld worden.

  5. Bevordering van het geloof in de Nalatenschap van Christus. Jezus Christus heeft op aarde het volmaakt Goddelijk Leven voorgeleefd, en heeft alle Lijden van dit leven met een oneindige Liefde gedragen, waardoor het met een onbegrensde en eeuwigdurende kracht tot Verlossing van zielen is bekleed. Dit is de Nalatenschap van de God-Mens aan de zielen: het grootste geschenk van Liefde in de vorm van een ontsluiting van het Eeuwig Leven voor elke ziel die een leven leidt in Zijn navolging. Zodra de ziel gelooft in Jezus Christus als het Verlossend Licht van God, en in de Goddelijke oorsprong en aard van Zijn Werken, en zij zich bereid toont om de onderrichtingen van Jezus nauwgezet in haar eigen leven toe te passen, draagt zij bij tot de voltooiing van haar persoonlijke Verlossing. Jezus tot het uiterste toe navolgen, betekent: het eigen leven in dienst stellen van de ontsluiting van de medemens voor diens Verlossing. Daarom is het noodzakelijk dat de medemens wordt gewezen op de rol van Jezus Christus voor zijn Eeuwige Gelukzaligheid, en dat wij de medemens een grote schat tonen door hem de oneindige Liefde van Christus te leren ontdekken. Het voorbeeld van het leven van Jezus en van de effecten van Zijn Werken kan de zielen leren, de diepe zin van hun eigen aardse lijden te leren begrijpen, en hierdoor dat eigen lijden te aanvaarden. Deze zingeving kan een zware last van een lijdend hart wegnemen, en dit hart opnieuw klaar maken om de Ware Liefde in zich tot vrucht te brengen en haar om zich heen te verspreiden. Dit alles kan in hoge mate worden ondersteund door de zielen te onderrichten in de kennis van het Heilsmysterie, en van de grote rol welke de drie hoofdfiguren hierin samen spelen: Jezus Christus, Maria, en elke individuele ziel. Opgeofferd lijden, is een immense bron van Liefde, Verlossing en Heil. Deze inzichten behoren tot de grote kenniselementen die Maria U in deze geschriften aanreikt en die Zij de Wetenschap van het Goddelijk Leven noemt.

  6. Het herkennen van de werken der duisternis in de wereld. De satan is de 'prins der wereld'. Hij heeft de eed gezworen dat hij Gods Schepping zou vernietigen door de heerschappij over de schepselen naar zich toe te trekken en hen ongemerkt voor zijn werken van verwoesting in te zetten. Hij tracht dit te verwezenlijken door de mensenzielen tegen God te vergiftigen, en hen in zodanige mate van alle Licht en Liefde in hun hart te beroven dat zij meer en meer werken van duisternis volbrengen. Zo heeft de satan ontelbare zielen zo ver gekregen dat zij meewerken aan de ondermijning van Gods Plan van Heil. De wereld is georganiseerd op grond van politieke en economische denkstromingen, waarvan de meeste de duisternis dienen. De centrale leidraad bij alle ontwikkelingen in de wereldgeschiedenis is steeds het materialisme geweest. Volgens het materialistisch denken bestaat de werkelijkheid uitsluitend uit datgene wat stoffelijk is. De mens kan gemakkelijk tot deze dwaling worden verleid doordat hij in een stoffelijk lichaam leeft, dat voortdurend stoffelijke behoeften heeft, en doordat vele elementen van het bovennatuurlijke, niet-stoffelijke leven van de ziel aan de menselijke waarneming onttrokken zijn ten gevolge van de erfzonde. God, vele van Zijn Werken, en het Goddelijk Leven, zijn niet-stoffelijk, en worden dus beschouwd als onbestaande. Ook de satan, de bekoring, de zonde en de ondeugd zijn niet-stoffelijk, en worden derhalve eveneens beschouwd als onbestaande. Zo worden spoedig Licht en duisternis niet meer herkend, en de moraal, het geweten, gaat totaal verloren. De mens begint erop los te leven. Hij leeft alsof er na dit leven op aarde niets meer komt, en hij dus uit dit leven alles moet halen wat het hem aan stoffelijke goederen kan bieden: geld, rijkdom, aanzien bij de mensen, prestige. Zo zijn de ongenadige concurrentie, competitie, haat, na-ijver, uitbuiting, onzinnige massaproductie en talloze andere waanzinnige gedragspatronen en bestrevingen ontstaan, die de mens slechts één doel voor ogen houden: de top te bereiken volgens de maatstaven van het werelds denken, dat heel grondig afwijkt van Gods bedoelingen met de mens.

    De ontwikkelingen van het materialisme met zijn ontelbare uitingen doden in de mens alle Liefde voor God, voor de Schepping, voor de medemens en de medeschepselen. De samenleving wordt volkomen ontzield. God wordt uit de wereld verbannen, en wordt in de harten ongenadig vermoord. Om de Ware Liefde in de harten tot nieuw leven te wekken en de Liefde opnieuw tussen alle schepselen te laten stromen, moet elke ziel in zichzelf de waarden van het Goddelijk Leven, van de niet-stoffelijke doelstellingen, herontdekken, en andere zielen helpen om zich ervan bewust te worden dat alle ellende en alle gebrek aan Liefde die zij om zich heen vaststellen, NIET aan God toe te schrijven zijn, doch aan de menselijke verblinding die meent dat de mens op zichzelf bestaat en slechts voor zichzelf leeft. Zolang de mens zichzelf als een wereld op zich begint te beschouwen, worden alle deuren gesloten en stroomt geen Goddelijke Licht meer van hem uit naar zijn omgeving. De ziel sterft bij gebrek aan voedsel, en stikt bij gebrek aan de zuurstof van de Goddelijke bezieling. Zij heeft haar medeschepsel niets meer te bieden. Het medeschepsel wordt beschouwd als een last, en als een hinderpaal naar verdere zelfverheffing.

  7. Het loskomen van alles wat werelds is. Zoals blijkt uit punt 6, is in de wereld alles georganiseerd rond het stoffelijke. De mens neigt ertoe, datgene wat hij met de zintuigen waarneemt, te beschouwen als de enige werkelijkheid, en te weinig rekening te houden met het feit dat het overgroot gedeelte van de realiteit precies bestaat uit ontwikkelingen en werkingen die niet met de zintuigen waarneembaar zijn (alle Werken van Gods Voorzienigheid, enz.). Alles wat uitgaat van het werelds denken en streven, schept genotzucht, en hierdoor zelfzucht. De zielen leven steeds méér op zichzelf betrokken. Hun liefde zoekt niet meer God en de medeschepselen, doch zichzelf. Alle liefde die op het eigen 'ik' gericht en daar vastgehouden wordt, stroomt niet meer door naar de medeschepselen noch naar God. De dienst aan God en de naastenliefde zijn hiervan de eerste en grootste slachtoffers.

    Het is daarom heel belangrijk dat de zielen leren beseffen op hoeveel punten het werelds denken en voelen, en de mentaliteit van het materialisme, hun leven in de greep hebben, en dat zij zich stap voor stap van dit alles zoeken te bevrijden. Het enige wat zij hierdoor kunnen verliezen, is een hoop ballast die hen verhindert om zich vrij te voelen en hun vlucht naar het ware Goddelijk Leven te volbrengen. Daarentegen zullen zij winnen: de ware innerlijke Vrede, blijheid, levensvreugde, en innerlijke rijping. In dit leven lijken zo vele situaties en ontwikkelingen volkomen onzinnig omdat zij nergens heen leiden. De ziel die het Goddelijk Leven vindt, ontdekt plots de middelen om aan alles zin te geven. Deze ervaring werkt heel bevrijdend, en opent hierdoor het hart. Een geopend hart leert opnieuw Gods Liefde te herkennen, op te nemen en door te geven aan zijn medeschepselen. In Gods ogen is het iets groots wanneer een ziel haar medezielen helpt, zichzelf te bevrijden uit de greep van het wereldse, want een bevrijde ziel is een ziel die opnieuw ten volle kan bijdragen tot de voltooiing van Gods Werken.

    Een bijzondere uiting van gehechtheid aan het wereldse, is elke vorm van verslaving (aan alcohol, roken, overmatig eten, snoep, drugs, overmatig gebruik van medicijnen enzovoort). Elke verslaving houdt de ziel vast in een overmatige beleving van het lichamelijke. Een verslaafde ziel kan niet vrij door God in Zijn Plannen ingeschakeld worden. Deze ziel is zo verstard dat zij de ware levenskracht, de Liefde, nauwelijks of niet opneemt, en haar ook niet laat doorstromen over haar omgeving.

  8. Het betrachten van totale openheid in alle communicatie. Telkens wanneer een ziel in contact treedt met een medeschepsel (mens of dier), moet zij erover waken dat haar communicatie gegrondvest is op een basis van eerlijkheid, openheid, berekenbaarheid en betrouwbaarheid. Oneerlijkheid, geslotenheid, onberekenbaarheid en onbetrouwbaarheid brengen nevel tussen schepselen, en verminderen derhalve het Licht. Het gevolg van een versluierde communicatie, is een teloorgang van de spontaneïteit in de relatie tussen mensen. Zodra een ziel het gevoel krijgt dat zij in relatie tot een medeschepsel niet helemaal zichzelf kan zijn, wordt de stroming van de Liefde onderbroken. Dit gebeurt op de hele wereld dagelijks miljoenen malen. Zodra de ziel niet (meer) helemaal weet wat zij aan de ander heeft, kunnen twijfels en wantrouwen ontstaan. De ziel begint dan na te denken over de relaties, over bepaalde gedragingen, woorden, reacties enz. De relatie met de medemens wordt hierbij niet langer gevoed vanuit het hart doch vanuit het redenerend en analyserend verstand. Dit laatste is het proefterrein van de satan. Dit komt doordat het redeneren en analyseren vermogens zijn, welke niet via het hart (het gevoelsleven) verlopen, en dus geen dragers van Liefde kunnen zijn. Zodra de satan erin slaagt, in een ziel het hart te sluiten en de ziel naar een overwicht van de verstandelijke vermogens te doen streven, krijgt hij gemakkelijk greep op deze ziel. Dit is de reden waarom in de geschiedenis zovele zielen die voor de ogen der wereld briljante geesten waren, zoveel onheil en verwoesting in Gods Schepping hebben aangericht.

    De waarneming van spontaneïteit en ongekunstelde schoonheid in een schepsel kan het hart van de waarnemer helpen openen. De aanblik van een spelend jong poesje of een mooi vogeltje kan het hart vertederen, voor zover het hart van de waarnemer nog niet te zeer verstard is om zich nog te openen. De kracht die het hart ertoe aanzet om zich te openen, is precies de Goddelijke Liefde, die bij de aanblik van het spontaan gedrag en de natuurlijke schoonheid in het hart stroomt.

    Het is heel belangrijk dat elke ziel erover waakt dat al haar communicatie naar haar medeschepselen toe, open en ondubbelzinnig is, en dat communicerende zielen hun onderlinge relaties voortdurend zuiveren van alle vaagheid, dubbelzinnigheid en onberekenbaarheid. Moge Uw 'ja' waarlijk 'ja', en Uw 'neen' waarlijk 'neen' betekenen. Deze betrachting kan elke relatie tussen schepselen bevrijden van veel duisternis, en de Liefde tussen de harten vrij laten stromen.

  9. Bewuster leven. De mens laat gewoonlijk ontelbare ogenblikken van de dag onopmerkzaam aan zich voorbij gaan, en schenkt vaak weinig aandacht aan ontwikkelingen in het zielenleven. Hierdoor ontsnappen ook zeer vele ingrepen van Gods Voorzienigheid in het dagelijks leven aan de aandacht. Deze 'geestelijke halfslaap' ligt aan de basis van het feit dat voor vele zielen vele dingen en ontwikkelingen in hun leven zinloos lijken, en zij nooit tekenen zien van Gods Liefde. Zodra de ziel al haar handelingen, woorden, gedachten en waarnemingen laat doordringen van het besef van Gods Liefde, krijgt alles zin en bloeit het hart open. Deze ziel begint het leven en haar leefwereld helemaal anders te bekijken. In elk klein detail van het dagelijks leven vindt zij gemakkelijker vreugde: de verzorging van kinderen of huisdieren, een wandeling met de hond, het bekijken van een zonsondergang, van een vogeltje dat op een tak zijn vleugels schoonmaakt... Het is onze plicht, onze medemens op de vele kleine schoonheden om zich heen attent te maken. Laten wij geen moment van lijden onbenut voorbij gaan: Offeren wij het op in dankbaarheid, in het besef dat het een sleutel tot onze Eeuwige Gelukzaligheid kan worden, en een gelegenheid tot ware navolging van Christus, de Weg van het Goddelijk Leven.

  10. Wees een apostel van de Ware Vrede. Vrede is veel méér dan het ontbreken van ruzie of oorlog. Een ziel die de ware Vrede van hart bezit, bezit de gesteldheid van Jezus Zelf, en is als een magneet: alle medeschepselen verlangen naar haar nabijheid. De reden is eenvoudig: Zij voelen in deze ziel de Tegenwoordigheid van God Zelf. De ziel die de ware innerlijke Vrede bezit, is rustig en vrij van stormen. Zij bezit hierdoor het vermogen om in haar omgeving plooien glad te strijken en stormen te bedaren. Zij maakt alle onvrede onwerkzaam. Elke ziel kan de Ware Vrede ervaren, zodra zij ervan doordrongen is dat alles gebeurt om een reden die door God beheerst en bestuurd wordt. De ziel die dit heeft begrepen, ervaart de bevrijding die uitgaat van de stille zekerheid dat alles ooit, hetzij vroeger hetzij later, in orde komt, want dat Gods Plannen en Werken voortdurend zoeken naar het evenwicht dat voor de hele Schepping het gunstigst en vruchtbaarst is. De tijd gedurende dewelke een ziel een minder aangename toestand moet verduren, wordt door Gods Liefde rijkelijk vergoed.

    De ziel die dit alles als een Goddelijke Wet in zich heeft opgenomen, voelt zich van vele lasten bevrijd en begint haar ware vlucht naar de ervaring van het Goddelijk Leven in zich. Zij bloeit open als een bloem, en heeft hetzelfde effect op haar medeschepselen. Zowel dieren als mensen bloeien open in de nabijheid van een ziel die de Ware Vrede uitstraalt. Deze ziel draagt de geborgenheid en rust waarnaar zovele schepselen op zoek zijn. Hoe meer bloemen de ziel om zich heen opent door haar wijze van zijn, des te vlotter zal in haar omgeving de Goddelijke Liefde stromen. Om deze reden verspreidt een ware vredesapostel nieuw Leven in de Schepping. Waar Liefde stroomt, sterven vroeg of laat alle onvrede, alle angst, alle onrust en alle onzekerheid.

  11. Beoefen de uiterste vergevingsgezindheid. Weinige wapens zijn zo dodelijk voor de duisternis als de vergeving. Ontelbaar zijn de zielen in wie de Liefde een langzame dood sterft doordat zij onophoudelijk in onmin leven met één of meer medemensen. Precies om deze reden lopen dergelijke zielen er vaak zo uitgeblust bij: Zij laten de kracht van het Goddelijk Leven niet in zich toe, en zijn derhalve ook niet in staat om Ware Liefde te geven. Zolang een ziel gewild met een medemens in onmin leeft, is alle Liefde die zij geeft, verontreinigd, precies doordat zij deze wolk altijd en overal met zich meedraagt.

    De ziel die niet vergeeft, stelt een andere ziel die jegens haar een fout heeft begaan, hiervoor persoonlijk verantwoordelijk, en houdt er geen rekening mee dat haar 'schuldenaar' zelf reeds het slachtoffer is geworden van een kracht die vijandig is jegens God en Zijn Liefde. Door de schuldenaar te blijven schandvlekken, verhoogt men de macht van de satan die precies dit heeft bedoeld: dat twee mensen een zonde, ondeugd of fout, door één van hen begaan, tot drijvende kracht van al hun verdere doen en laten zouden maken, en hierdoor zichzelf, de ander, en vaak nog vele anderen, van de stroming van de ware Goddelijke Liefde afsnijden.

    Laten wij dit systeem ook op de grote schaal bekijken: hoe kan de wereld uit de greep van kwaad en duisternis bevrijd worden indien hele volkeren elkaar met wrok, haat en onverzoenlijkheid blijven benaderen om wat jaren geleden is gebeurd door een oorlog met alles wat eruit is voortgevloeid? Welke explosie van Licht zou deze wereld ervaren indien alle zielen de zonden en fouten van het verleden – zowel in hun eigen leven als in de wereldgeschiedenis – van harte zouden vergeven en hen zouden begraven in het Hart van Maria, die wonderbare hoogheilige grond waarin alle zonde vergaat en alle offeranden omgevormd worden tot grondstof voor Goddelijke genaden. Dit brengt ons bij de twaalfde sleutel:

  12. Leven in totale toewijding aan Maria. Alle geschriften van Myriam van Nazareth verschaffen ontelbare motiveringen voor de reden waarom het leven in totale toewijding aan Maria de gouden weg naar het Goddelijk Leven, de voltooiing van de Verlossing in de ziel, de volkomen heiliging en de totale bevrijding met zich meebrengt. Maria is de Koningin van de Liefde. In Haar zijn alle deugden absoluut volmaakt uitgerijpt.

    Wanneer men de heiliging in de ziel beschouwt als de groei van een boom, is de Liefde de boomstam waaraan alle andere deugden (in het boek Lentebloesems aan de Levensboom worden er 64 verschillende bestudeerd, met praktische voorbeelden) als takken ontspringen. Elke tak, elk blad, elke bloesem en elke vrucht aan deze boom groeit, bloeit en rijpt uitsluitend door de kracht van de Liefde. Hoe sterker de Liefde in een ziel stroomt, des te meer geborgenheid schenkt haar bladerdek, des te mooier worden haar bloesems, en des te voedzamer worden haar vruchten. Begrijp het beeld: De ziel waarin Gods Liefde ongehinderd stroomt, benut deze Goddelijke levenskracht om zichzelf te versterken, en stelt zich hierdoor reeds volkomen ten dienste van de hele Schepping: de boom ontwikkelt een stevig bladerdek (alle medeschepselen voelen zich bij deze ziel geborgen, vinden in haar nabijheid Vrede en rust), mooie weelderige bloesems (alle medeschepselen worden aangetrokken door haar schoonheid waarin zij Gods Wonderwerken ontdekken), en rijpe voedzame vruchten (alle medeschepselen worden gevoed door de vruchten van de Liefde die door deze ziel verspreid wordt: Alle medeschepselen worden beter in staat gesteld om hun levenstaak binnen Gods Plan te vervullen). God is de grond.

    Voor de ziel die zich aan Maria toewijdt en een leven leidt in totale toewijding aan Haar, is Maria de Verzorgster. Zij is totaal verzadigd van Gods voedingsstoffen en van alle materialen die nodig zijn om de bomen in Gods grond tot een optimale groei en vruchtbaarheid te brengen. Bovenal is Zij als Meesteres van alle zielen bij Goddelijke volmacht uitgerust met alle macht om de groei- en bloeikracht op het juiste ogenblik in de juiste banen te leiden. Geen ziel kan dit alleen. Het leven met al zijn duistere invloeden is als een reis doorheen verraderlijk moerasgebied. Wanneer de gevaren het grootst zijn, kan geen ziel zichzelf uit het moeras bevrijden. Maria is door God bekleed met de macht en de Wijsheid om dit te doen. Zij bezit de volheid van de Liefde, de weg is Haar bekend tot in alle details, en Zij kent elke ziel oneindig veel beter dan deze zichzelf kent.

    Maria draagt Christus, de Mens geworden Goddelijke Liefde, in Zijn volheid in Zich. Een leven dat wordt geleid in oprecht gewilde eenheid met het Hart van Maria, is in Gods ogen een leven in volkomen aanvaarding van Zijn Wil, want Hij heeft Maria aan de zielen gegeven als de gouden Brug naar het Hart van de Allerheiligste Drievuldigheid. Onder de geschapen zielen is Maria voor alle tijden de enige Die Gods Licht weerspiegelt als de vlekkeloze volle maan. De ziel die Maria volkomen zoekt na te volgen, streeft daardoor in wezen naar gelijkenis met Haar die zoals geen andere op God Zelf gelijkt. Geen ziel kan zich voorstellen hoe groot dit in Gods ogen is, en welke immense stroming van Liefde God kan leiden doorheen een ziel die op Maria gelijkt.

Geen macht ter wereld zou de stroom van Gods Liefde doorheen de Schepping nog kunnen tegenhouden, noch de uitwerkingen ervan kunnen verminderen, indien in de hele wereld van elke twaalf christenen er één zou leven in totale, onvoorwaardelijke en eeuwigdurende toewijding aan Maria, in volkomen zelfopoffering in de dienst aan de Meesteres van alle zielen.

Nochtans is de totale overgave van één op twaalf christenen aan Maria een beschamend gering antwoord op het geschenk der geschenken dat God de zielen heeft gegeven door Maria bekend te maken in Haar oneindige macht en verhevenheid als Meesteres van alle zielen. Tenslotte is Maria door God uitgekozen tot Moeder van Zijn Zoon en tot Bruid van de Heilige Geest. Zoals de mensenziel bedoeld was om God te vertegenwoordigen naar de hele Schepping toe, zo vertegenwoordigt Maria God naar de mensenzielen toe. Alles is Haar voor de voeten gelegd, omdat Zij één gemaakt is met Christus.

Ik schreef het reeds in de inleiding: Wanneer wij ons God voorstellen als de Zon, moet elke ziel zijn als een volle maan, die het zonlicht naar de Schepping toe weerkaatst en daarbij licht geeft zonder te verblinden. Dit Licht is de drager van Gods Liefde, de essentie van het Goddelijk Leven, dat de zin en de doelstelling is van elk mensenleven op aarde. De ziel moet erover waken dat geen maansverduistering mogelijk is. Een maansverduistering treedt op telkens de aarde zich tussen de zon en de maan schuift. Welnu, telkens het Licht van God (de zon) de ziel (de maan) niet meer bereikt doordat de invloeden der wereld (de wereldbol) voorrang krijgen op het zonlicht, dus telkens de ziel toestaat dat het wereldse haar méér nabij komt dan het Goddelijke, houdt de ziel ermee op, een goede geleider van Gods Liefde te zijn. Op dat ogenblik voldoet zij niet langer volkomen aan haar ware levensroeping en draagt zij niet langer bij tot de opbouw van de fundering van Gods Rijk op aarde.

In diepe Liefde tot God, tot Maria en tot alle schepselen,

Myriam – september 2008